Yokai

Yokai

Even was ik in Parijs, het culturele centrum van de wereld. Het eerste wat ik zag was een tentoonstelling in het Huis van de Japanse Cultuur. Een modern gebouw en toch heel prachig, aan de quai Branly, bijna in de schaduw van de Eiffeltoren.

Het ging om de Yokai.

Yokai zijn aan de verbeelding ontsproten monsters, die misschien wel angstaanjagend kunnen zijn voor bevattelijke mensenkinderen, maar toch eigenlijk helemaal niet eng, omdat ze zulke ontzettend geinige vormen aannemen. Het zijn Japanse vriendjes van de figuren van Jeroen Bosch, met rare snuiten, en kwajongensstreken. Ze maken iets heel vreemds, qua vorm, van gebruiksvoorwerpen, lampen, muziekinstrumenten en je ziet aan ze af dat ze er een duivels plezier in hebben om je verstomd te doen staan of de stuipen op het lijf te jagen. Ze draven rond met onduidelijke hoofddeksels, bobbelige lichaamsdelen, uitgerekte snavelneuzen, en sommigen halen streken uit die duidelijk niet door de beugel kunnen. Maar dames onder hen volstaan er mee om onverwachte effecten te bereiken door hun elastische hals ineens buiten proportie uit te rekken.

De onverwachtheid van de vertoonde fantasie brengt een bezoeker met gevoel voor humor om de haverklap aan het lachen. En om dan toch weer een ander onverwachte wending te bereiken is er dan een zaal met vrouwelijke spoken, die dan wel romantisch-onwerkelijk zijn, maar je toch onherroepelijk met diepe deernis vervullen.

Het nuchtere Nederland spreekt, historisch gesproken, een woordje mee in deze fantasiewereld, want Hokusai (1760-1849), een van de allerberoemste Japanse kunstenaars heeft afbeeldingen van schrikwekkende figuren gemaakt, geïnspireerd door uit ons land afkomstige boeken op het gebied van anatomie en zoölogie.