Bij de Walen

Bij de Walen

M'n eerste Frans in de praktijk heb ik geleerd bij de Walen, de Franssprekende Belgen. Ik ging uit logeren bij een vriend in Wasmuel, in de Borinage. Ik spreek van 1946.

Het adres van die vriend had ik van mijn Franse lerares gekregen, op de Tweede Vijfjarige HBS aan het Roelof Hartplein te Amsterdam. We wisselden onbeholpen brieven, ik in het Frans, hij in het Nederlands. Zo oefenden we onze taalkennis.

Ik ging drie weken bij hem logeren. Hij droeg de Picardisch klinkende achternaam Delepierre. Zijn voornaam was Yvon. Zijn beste vriend, uit het nabijgelegen St.Ghislain, heette Léon Fourmanoit.

We waren zestien. Ik sprak met Yvon en Léon mijn eerste Frans. We spraken vooral over locale evenementen. De kermis in Quaregnon bijvoorbeeld. Of het schoolfeest in Wasmuel zelf. We bespraken de meisjes. Yvon had met een dezer zelfs al een wandeling gemaakt rond het terril. Een terril is een desolate hoop kolengruis voortgebracht door de steenkolenmijn in de buurt. De mijnen van de Borinage zorgden voor rijkdom bij mensen die we nooit zagen, voor het zwart op ons lijf en in onze overhemden. En voor die lelijke grijze hopen in het landschap (zie de afbeelding).

Het beste vriendschapsbewijs dat jongelingen elkaar geven kunnen is goedmoedig geplaag. Yvon en Léon mochten graag wat verbaal dollen over de belachelijke trekjes die aan Vlamingen vielen op te merken. Ze hielden zich wel in; ze dachten dat overdrijving mij onaangenaam zou zijn, omdat ik toch ook een soort Vlaming was. Maar Yvon kon zich toch wel zonder schroom permitteren om tegen Léon te zeggen 'Tu as une tête de Flamand'. Daar kreeg hij een welgemeende por in de buik voor terug.

Het ergste voor Léon was dit: het was nog waar ook.