Op de Herengracht

Op de Herengracht

Ik had geen haast. De zon scheen over de Herengracht. Geen haast, de zon, ik word dan oplettend.

Twee heren, vlak voor mij, liepen net als ik richting Centraal Station. Ze waren in druk gesprek. Eigenlijk waren het nog geen heren. Het waren jongens. Dat was goed te zien aan hun wat schonkige motoriek. Hun bewegingen zeiden: we zouden nog wel tegen een leeg colablikje willen trappen. Ze keken wel mooi uit natuurlijk, dat deed je niet als junior-manager in krijtstreep-pak.

Allebei hadden ze strogeel haar en een Sjatowplukje. Dat is het plukje haar dat zich op de kruin door geen kam laat neerdrukken, en dat water of gel weerbarstig weerstaat. Dat plukje haar heb ik vernoemd naar een van mijn favoriete romanpersonages, Sjatow uit Dostojewki's Demonen, in vertaling ook wel Boze geesten genaamd.

Ze zagen er zo kazig uit dat de vraag in mij rees of hun vader misschien ook melkboer was. Ik overdacht: bestaan ze nog, melkboeren? Zonen van melkboeren wel, dat staat vast.

Ik versnelde ongemerkt de pas om de afstand tussen hen en mij te verkleinen. Zulk soort volk interesseert me, omdat ik er weinig omgang mee heb ' ik moet ze nog leren kennen. In het liedje zong ik ooit 'Waarover spraken zij, die drie daar op het hek?' Nu zong het in mij 'Waarover spreken zij, die twee daar in het pak'. Ik kijk naar deze verklede kwajongens een beetje alsof het pas uit het ei gekomen pinguins zijn.

Ik was anderhalve meter achter ze. En bleef daar bedaard voortgaan, met de allure van iemand die geen haast heeft en ervan geniet dat de zon scheen. Ik kan heel goed kwansuis doen of ik aan niets loop te denken en ook niets in de gaten heb. Maar ondertussen. Gelukkig zie je het niet wanneer iemand de oren spitst.

Ze waren zich van mijn nabijheid absoluut niet bewust, omdat ze het veel te druk hadden om een afwezige vriend te bespreken die een andere baan had dan zijzelf. Ze evalueerden zorgvuldig of hij het misschien beter voor elkaar had dan zij.

Veel mensen hebben dat als levensmissie voor zichzelf gekozen: het goed voor elkaar krijgen. Een Zwitserlevengevoel verwerven, daar gaat het om. In een interview zei de Nederlandse schrijver K. dat hij in de trein graag eersteklas reist. Waarom? Omdat hij dan geniet van het idee dat zijn medereizigers denken dat hij het gemaakt heeft in zijn leven. Dat ligt nog even anders: als de anderen maar denken dat je een Zwitserleven leidt, dat is ook al goed.

Ja, jongens waren het, die twee daar op de Herengracht. En aardige jongens ook nog. Dat kon ik horen aan de manier waarop ze het hadden over die afwezige. Hij had het inderdaad beter voor elkaar dan zij, hij had een goede job. Maar ze gunden het hem. Verrassend, je hoort het vaak anders. Nog veel verrassender was de wijze waarop de goede job werd gedefinieerd.

Hij heeft een prima baantje. Hij zit de hele dag te vegeteren en uit z'n neus te vreten.

Nooit had ik het Zwitserleven-ideaal zò horen omschrijven. De verbazing en een veronachtzaamde losse tegel deed me struikelen. Daar lag de luistervink ontluisterd ter aarde. Vier handen hielpen me op de been. Ik wreef langs mijn knieën. Vrolijk bezorgde ogen, blauw als de hemel boven de Noordzee, keken me nieuwsgierig aan.

Gaat het weer een beetje, meneer?

De zondvloed kan nog wachten.