In de tram

In de tram

Het was dringen in de tram toen hij stopte en de deur openging. Dringen om naar buiten te komen. Twee wachtenden op de vluchtheuvel hadden namelijk maar één gedachte: naar binnen.

De aanvoerder van de binnendringers was een buitensporig vette man, wiens buik onsmakelijk bolde boven een spijkerbroek die niet paste bij zijn leeftijd en postuur. Zijn vazal, achter hem, was een overjarige blondine, ook al meer dan flink uit de kluiten gewassen.

Het toeval wilde dat ik aanvoerder was van de uitstappers, die door hun gedrang achter mij voelbaar maakten dat dít de halte was waar ze wezen moesten.

Ik had een veelvoudige motivatie om die pattepoef te stuiten in zijn weerzinwekkende dadendrang. Daar was om te beginnen mijn welbegrepen eigenbelang. Ik wilde eruit en niet het risico lopen terug te worden geduwd en genoodzaakt te zijn om verder mee te rijden nog wel innig gedrukt tegen deze monsterlijke mutant. Bovendien voelde ik mij verantwoordelijk voor al die onbekende lotgenoten achter mij, die er ook uit wilden, ongetwijfeld om hun zieke moeder te bezoeken of om op tijd te komen voor hun carrièreversnellende cursussen. Ik voelde me gesterkt door de ongeschreven wet van het uitstappen: eerst wij die dalen en dan pas zij die stijgen.

Tegen heug en meug duwde ik de vleesberg achteruit, wat aardig lukte, omdat grote drift ook grote kracht geeft. Maar hij wist zich toch terzijde van mij te wringen en, ongelogen, hij waagde het om 'Achteruit!' te roepen. Mijn antwoord was non-verbaal: een elleboogstoot in zijn pens. Menig profvoetballer had er een puntje aan kunnen zuigen. Een Bommel-woord schoot mij door de geest: ik wist niet dat ik het in me had.

Toen ik buiten was en de twee dikkerds binnen kwam de uitstroom rustig op gang. Dat was te danken aan het beleefde gedrag van twee jongemannen die achter het haatbare tweetal rustig wachtten tot iedereen buiten was alvorens zich binnen een staanplaats te gaan verwerven.

Op de vluchtheuvel mocht ik een intens gevoel van satisfactie over mezelf smaken, niet van het fraaiste allooi, ik geef het toe. Ongetwijfeld gevoed door felstromende adrenaline. Misschien dat ik er daardoor toe kwam me om te draaien. Ik zag mijn tegenstrever staan, een haring in een ton. Hij keek me aan met een gezicht van hou me tegen of ik bega een ongeluk. Maar ja, hij moest dringend ergens heen.

Ineens bedacht ik dat mijn combativiteit me ertoe gebracht had om na te laten de beleefdheid te honoreren van hen die wel rustig op hun beurt hadden gewacht. Ik kon dat nog net doen terwijl de deur zich al sloot. Ik maakte een rond-wijzend gebaar naar de twee jongemannen, terwijl ik de dikkerd provocatief belerend toesprak zeggende: 'Daar kun jij een voorbeeld aan nemen.'

Zo ben ik nu, dacht ik, huiswaarts voortstappend. Ik doe altijd net iets te veel. Ik hoop maar dat die twee voorbeeldgevers geen voorbeeld nemen aan mij.