Opvoeden

Opvoeden

Doe je het ooit goed, als opvoeder? Dit is een wat kitscherige, clichématige verzuchting. Het is zo'n vraag met ingebouwd antwoord, die wij in Nederland heel gewichtig aanduiden als een retorische vraag. De vraag stellen is eigenlijk een klacht uiten: je doet het ook nooit goed.

Maar het is niet waar. Het wordt ook vaak prima gedaan. Ikzelf heb niets te klagen over de opvoeding die mijn ouders me gegeven hebben. Ze hebben me geen haarbreed in de weg gelegd als het er op aankwam om vriendschappen aan te gaan, met denkbeelden, gevoelens, met kunst, met literatuur. Met mensen, leeftijdsgenoten vooral. En boven alles deden ze dit: ze lieten me merken, ook zonder het te zeggen, dat ze blij met me waren.

Aanvechtingen om andermans auto in brand te steken heb ik als jongen niet gekend. Ook niet om anderen te pesten. Ik mocht lid worden van de schaakclub waarvan mijn vader lid was. Later ook als aspirantje in een voetbalclub. Voetballen deed ik nog veel meer op straat, na het avondeten, onder het oog van buren die uit het raam hingen. Eén-tweetjes met de stoeprand, om een tegenstander te passeren. Het kon omdat er praktisch geen auto's door de straat reden. De straat was 's avonds, voor het slapengaan, van de jongens en ook van de meisjes, van wie een enkeling soms meevoetbalde. Soms was het tijd voor tollen, voor hinkelen, pinkelen, voor knikkeren, zelfs honkbal. Of voor verstoppertje, diefie met verlos, heel af en toe voor het ruwe bokbokberrie. Een doodenkele keer ontstond er ongenoegen dat leidde tot een knokpartij, waar moeders een eind aan maakten.

De dictatuur van het gemanipuleerde proletariaat en de bloei van de industrie hebben ertoe geleid dat rijdende en geparkeerde auto's de straat van de kinderen hebben afgepakt. Soms denk ik wel eens dat het jongerentuig dat in buitenwijken auto's in brand steekt indirect, zonder het te weten, een symbolische wraakoefening uitvoert.

De vraag wordt gesteld hoe het komt dat ze zich misdragen. Het antwoord is al zo'n achttien eeuwen geleden gegeven door de in Alexandrië wonende Griek Titus Flavius Clemens (150-215) in zijn geschrift 'Paidagogos'. 'De opvoeder' betekent dat. Wees goed voor een kind, stelt Clemens, maar wees niet zwak. Een te ver doorgevoerde goedhartigheid leidt tot minachting. Gerechtvaardigde en goedbedoelde striktheid boezemt respect in. Misschien niet onmiddellijk, maar wel op de lange duur.

Klinkt dat wat abstract? Er komt een verrassend voorbeeld. 'Honing is zoet, erg lekker. Maar in het lichaam wordt het uiteindelijk tot bittere gal. Zo gaat het ook met overdreven goedheid.'