Niet in de ogen kijken

Niet in de ogen kijken

Op 6 augustus 1945 werd vanuit een Amerikaanse bommenwerper, bestuurd door kolonel Tibbets, een atoombom geworpen op Hirosjima. Er stierven 71.379 mensen door die ene bom, de latere doden ten gevolge van de straling niet meegeteld. Japan, waar fanatieke generaals de dienst uitmaakten, wilde niet onmiddellijk capituleren. De Amerikaanse president Truman liet drie dagen later een tweede bom werpen op Nagasaki. De Japanse generaals zagen daarna in dat capitulatie onvermijdelijk was.

Toen ik er destijds van hoorde, was ik tevreden. Dat had levens gered van Amerikaanse jongens, onze recente bevrijders, samen met anderen, Canadezen, Engelsen, Polen, Russen. Ik was vijftien jaar oud.

Ik denk nog dikwijls aan die tijd. Er is in mijn gedachtencomplex over dat gruwelijke moment aan het einde van de Tweede Wereldoorlog nog veel toegevoegd sindsdien. Over mijn oordeel, grosso modo, wil ik het niet hebben - de ethische kant van dit gebeuren bevat allerlei tegenstrijdige elementen.

Wat me bezig houdt is een praktisch-psychologische kant van het gebeuren. Zo'n bom werpen kun je doen, denk ik, omdat je de slachtoffers niet in de ogen hoeft te kijken. Stel je voor dat kolonel Tibbets over de grond naar Hirosjima had moeten gaan om al die 71.379 mensen persoonlijk af te maken en dat hij ze had moeten aankijken alvorens het te doen.

Een rechter heeft het al moeilijker dan krantenlezers om een strenge veroordeling uit te spreken over een schlemielige ellendeling die iets gruwelijks heeft gedaan. Die staat voor hem en lijkt wel een mens. In ieder geval wissel je blikken met hem. Dat beïnvloedt je handelwijze. Je zult minder gauw tot hardvochtigheid bereid zijn. Geloof ik. Ik heb ooit een oude rechter, nu overleden, zich over die kant van zijn ambt openhartig horen uitspreken.

Hoe kom ik hier nou op? Door mijn gedachte aan de financiële krachtpatsers ooit in het gebouw van de Nederlandsche Handels-Maatschappij over wie ik het had, en die zo keurig gescheiden bleven van de onderknuppels in de rest van het gebouw. Die hoefden ze niet in de ogen te kijken. Maakte emotieloos handelen gemakkelijker, denk ik dan. Geen stoornis bij het koel gehoorzamen aan de algemene regels in hun breinen betreffende 'wat goed voor het bedrijf is'.

Zoals nu aandeelhouders nog efficiënter weten te doen, wanneer ze massa-ontslagen aanrichten ver, ver weg van de mensen die dat aangaat. Ik denk bijvoorbeeld aan wat er dreigt in Toulouse, een stad waar duizenden mensen leven van hun werk voor Airbus. Hun ontslag is op komst. Ik kan het niet helpen: wanneer ik daarover lees, komt de gedachte aan de bommen op Hiroshima en Nagasaki bij me op. De aanrichters van de dreigende misère in Toulouse en elders hoeven hun slachtoffers ook niet in de ogen te kijken.

De ruimtelijke afstand is in dit geval een teken. Van kaste-verschil. Van privilege. Van comfort; gemak om wandaden schaamteloos te begaan. Uitwas van een cynisch socio-economisch stelsel waaruit moraliteit en gedachten aan generositeit en mededogen verbannen zijn.