Staphorst

Staphorst

Januari 1945. De hongerwinter. Noord-Nederland is nog door de Duitsers bezet. Het is onzinnig dat ze zich niet overgeven, want ieder zinnig mens ziet in dat ze de oorlog gaan verliezen. Maar ze blijven gehoorzamen aan een misdadige idioot met een raar snorretje, in Berlijn. In Amsterdam en daarbuiten zijn er mensen die sterven van honger en gebrek.

We moeten er op uit op onze gammele fietsen, ver weg van Amsterdam, tot in Drente, om eten te vinden dat we met schamel geld betalen kunnen. Want rond Amsterdam vragen de boeren linnengoed, kostbaarheden, die we al eerder hebben ingeruild. Voor luttel geld is niets meer te krijgen.

We vertrekken, mijn moeder, tante Bertha, mijn oudere nichtje, en ik, veertien jaar oud. Mijn zusjes zijn te klein om mee te gaan op deze expeditie. Mijn vader kan de deur niet uit. Hij is thuis ondergedoken; hij wil niet in Duitsland werken voor de Arbeitseinsatz, maar blijven bij ons, voor wie hij zorgt.

Na een dikke week zullen we terugkomen met aardappelen en rogge in ruwe zakken, vastgebonden dwars op de bagagedragers. Ook een pluk tabaksbladen, o mazzel, want Papa zal ze drogen, fijnsnijden, genieten van zijn met krantenpapier gerolde saffies en ook nog wat tabak uitsparen - dat kan als ruilmateriaal worden gebruikt.

De fietstocht was niet zonder gevaar. Engelse jachtvliegtuigen, spitfires, scheerden soms over de weg en lieten hun mitrailleurs ratelen; we moesten ons snel naast de weg plat tegen de grond drukken; ik herinner me nog het grote dode, met bloed bedekte paard, niet eens zo ver van me vandaan - het zal wel in het geallieerde oorlogsplan hebben gepast. Toch namen we het aanbod aan van geüniformeerde Duitse jongens om ons een eindje, met fietsen en al, te vervoeren in hun Wehrmacht-Kraftwagen. Linke soep, maar elke meter verder op weg naar voedsel was voor ons meegenomen. Zuerst kommt das Fressen, en de angst moet soms even tussen haakjes.

Koud was het wel. Maar zo slecht als later in de maand maart, wanneer Mama en ik er met z'n tweeën opnieuw op uit zullen gaan en te maken zullen krijgen met min twintig, sneeuwstorm, felle tegenwind, nee zo erg is het in januari nog niet. We gaan rustig oostwaarts, noordwaarts, elke dag een redelijke etappe met overnachtingen op de vloer in ontruimde schoollokalen of bij boeren die ons onderdak geven. Wanneer het donker geworden is kloppen we aan bij een boerderij, vragen onderdak en krijgen het meestal ook.

Natuurlijk heb ik daar herinneringen aan. Sommige daarvan zijn vaag. Andere heel precies. Heel precies is mijn herinnering aan een overnachting in Staphorst.

We naderen het Drentse land, maar kunnen die dag niet verder dan Staphorst, omdat we moe zijn, omdat de nacht begint te vallen. We vragen onderdak bij een boerderij langs de weg. We worden toegelaten en krijgen een slaapplaats aangewezen. In de stal boven de koeien is een brede opslagruimte waar stro wordt bewaard. Daar vallen we neer zonder uit de kleren te gaan. Onder ons maken onze nieuwe vrienden, de koeien met hun warmte uitstralende lijven, gezellige hoestgeluiden. Als we moeten plassen, overwinnen we onze gêne. We horen de geluiden die we maken wanneer onze regen daalt, en moeten natuurlijk ook erg giechelen.

's Morgens ervaren we de gastvrijheid van de goede mensen die ons in onze nood gastvrijheid hebben verleend. Tot aan mijn dood zal ik me het intense genot en de nog intensere dankbaarheid herinneren waarmee ik de pap naar binnen lepelde die de boerin mij voorzette. Nooit, werkelijk nooit, heb ik naar mijn gevoel méér genoten van wat mij aan het ontbijt is voorgezet.

Ondertussen keek ik rond. Zag het kleurige kapje van de vrouw en de rest van haar klederdracht. Zag het interieur dat getuigde van het schoonheidsgevoel van de bewoners. Een zeer origineel schoonheidsgevoel. Het manifesteerde zich in een geheel eigen traditie. Het getuigde van een serke onafhankelijkheid.

Later heb ik schamper horen praten over Staphorst. Elke keer als het me overkomt stijgt er woede in me op. De schamperaars hebben ongelijk. Ze laten zien, zonder het te beseffen, dat ze domme napraters zijn. Ik heb op een belangrijk ogenblik in mijn jonge levensjaren kunnen leren hoe Staphorsters er blijk van geven het gebod tot naastenliefde daadwerkelijk na te leven.