Slurfje

Slurfje

Waarom wilde Slurfje een fiets? Slurfje is olifant en dus te zwaar voor een gewone fiets. En dan, waar hij woont zijn geen fietspaden.

Toch wilde hij het. Gewoon. Dus joeg hij juffrouw Kip de boom in. 'Welke kant moet ik uit om een fiets te kopen?'
'Die kant uit', zei juffrouw Kip. Ze wapperde met haar vleugel in de richting van de rivier.
Daar dreef juist een parlevinker die een fiets aan boord had. Wat een gelukkig toeval.

Slurfje erheen. Vroeg naar de prijs. 'Vijf kokosnoten.' Viel dat even mee. Desondanks ging Slurfje afdingen. Hij kreeg de fiets voor vier noten. Niet duur voor een fiets. Maar er was hier weinig vraag naar fietsen, vandaar.

Slurfje ging terug naar huis, met zijn fiets onder zijn slurf. Fietsen was er nog niet bij. Hij moest het eerst leren. Wie zou het hem kunnen leren?

Hij dacht aan Slonneke. Toen pas. Daaruit blijkt wel hoe hij met zijn gedachten alleen maar bij die fiets was geweest. Natuurlijk Slonneke. Slonneke leerde hem immers bijna alles!

Maar wat zei Slonneke? 'Slurf, jongen, hou je in. Waar wil jij fietsen? Zie jij hier soms een fietspad? Een paddestoel van de ANWB? Wees wijzer.'

Dat zette Slurfje aan het denken. Maar denken hielp niet. Dus ging hij naar Evert Everzwijn. Die bekeek de fiets. Hij was er verrukt van. Hij zei: 'Nou alleen nog vleugels, een propellor. En klaar is Kees.'

Zo gezegd, zo gedaan. Luttele dagen later stond de fiets startklaar, voorzien van prachtige houten vleugels. Van voren een heel grote vin die door middel van elastiek stijf was opgewonden.

Evert en Slonneke duwden Slurfje op de fiets. Ze hielden hem vast zodat hij er niet af viel. Toen lieten ze het elastiek los.

De propellor begon te draaien. Slurfje trapte op de pedalen. Het voertuig schoot de lucht in.

Eerst cirkelde Slurfje nog wat rond. Hij zwaaide met zijn poot naar Slonneke en Evert. En ook naar juffrouw Kip. Die was boven in een boom gaan zitten. Ze woof.

Slurfje fietste omhoog. Tot boven de wolken. Dat had wel een bezwaar. Hij wist al gauw niet meer waar hij was. Dus besloot hij om wat naar beneden te gaan. Hij kwam in een wolk.

O schrik. Toen hij de wolk was, kwam de fiets in een luchtzak terecht. Hevige schokken. Slurfje moest het stuur stevig vast houden om niet van zijn fiets te vallen.

Daar brak ook nog de propellor af. En toen de linkervleugel. Toen de rechter. De luchtfiets was een gewone fiets geworden.

Slurfje tuimelde pijlsnel omlaag.

Hij keek nieuwsgierig naar beneden. Hij wilde wel eens weten waar hij terecht zou komen.

Veel water zag hij, heel veel water. Hij was kennelijk tot boven de oceaan gevlogen.

Slurfje is altijd optimistisch. Hij dacht: 'Dat komt goed uit. Dan val ik niet zo hard.'

Maar wat zag hij daar? Recht onder hem was een eilandje. Oei oei oei, hoe moest dat nu?

Dat eilandje was het eiland Oeri, waar de Knoeri's wonen. Op de landkaart kun je het niet vinden, want het is nog niet ontdekt.

De Knoeri's hadden nog nooit andere mensen gezien. En zeker nog nooit olifantjes. Het enige dier dat op Oeri voorkwam was het vogelbekdier. Dat werd kortweg 'dier' genoemd.

Toen de Knoeri's Slurfje door de wolken zagen breken, renden ze allemaal naar het zwembad dat midden op het eiland lag. Dat zwembad was hun grote trots. Ze hadden het eigenhandig gegraven. Ze hielden erg veel van zwemmen, de Knoeri's, maar ze hadden en hekel aan de zee. Hun bijeenkomsten, vergaderingen, besprekingen, feesten en plechtigheden hielden ze bij dit zwembad. Vandaar dat ze naar het zwembad renden toen ze een onbekend hemellichaam zagen dat hun eiland naderde in tomeloze vaart.

Je begrijpt zeker al waar Slurfje terecht kwam? Precies! Onze onkwetsbare held plonste midden in het zwembad. Hij bleef ongedeerd. Zijn fiets bleef onbeschadigd.

De Oeri's werden wel kletsnat. Maar dat was niet erg. Ze merkten het zelfs niet. Al hun aandacht ging uit naar Slurfje.

'Een mens!' riepen sommigen.
'Nee, een dier!' riepen anderen.
'Een mens, want het heeft dikke benen.'
'Een dier, want het heeft een snavel.'
'Ik ben een olifant,' zei Slurfje, waardig.
Hij was uit het water geklommen en proestte.
'Een nieuwe luchtgod,' besloten de Oeri's. En ze brachten Slurfje witte moerbeien. Die offeren Oeri's altijd aan hun goden.

Slurfje smikkelde moerbeien lekker op. Hij had honger en bovendien is hij toevallig dol op moerbeien. Speciaal op witte.

De Oeri's waren blij, omdat ze zagen dat Slurfje zo tevreden was. 'Wat is uw wens, god Olifant?' vroegen ze. 'Een stevig vlot. Met een zeil erop,' zei Slurfje.

Dat kwam in orde. Na veel omzwervingen is Slurfje weer thuis gekomen. Juffrouw Kip zag hem al in de verte dobberen. Zodat Slonneke al aan de oever van de rivier klaar stond om hem welkom te knuffelen.

Slurfje heeft de fiets bij de Oeri's achtergelaten. Ze hebben hem omgebouwd tot een waterfiets. Maar het rondfietsen in een zwembad ging ze vervelen. Toen hebben ze de fiets uit het water gehaald en naar het strand gebracht. Ze konden toen om het eiland fietsen.