Sjalamovs bericht uit Kolyma

Sjalamovs bericht uit Kolyma

Varlam Sjalamov heeft met zijn Berichten uit Kolyma in korte schetsen een hartverscheurend beeld opgeroepen van wat het leven was van de gedeporteerden in dit meest vreselijke van alle Stalin-kampen. Vreselijker zelfs dan wat Solzjenitsyn schilderde in zijn boek Eén dag uit het leven van Iwan Denisowitsj.

Vreselijker, omdat de omstandigheden in de Oost-Siberische mijnen van Kolyma, waar Sjalamov zeventien jaar lang dwangarbeid verrichte, nòg afschuwelijker waren dan die welke Solzjenitsyn had beschreven.

De Bezige Bij heeft Sjalamov in Nederlandse vertaling uitgegeven. Het is een boek geworden van negenhonderd bladzijden, een boek dat je in geen geval in één ruk kunt uitlezen, niet vanwege de dikte maar omdat het de emotionele draagkracht van de lezer teboven zou gaan om er veel van achtereen te lezen. Dat heeft niet alleen met de verschrikking van wat Sjalamov vertelt te maken. Maar vooral ook met de indringende kracht van zijn verteltechniek.

Het kan lijken of die verteltechniek eenvoudig is, maar dat is schijn. Door zijn vertelwijze bereikt hij een psychologisch effect waarop elke schrijver jaloers zal zijn; hij bezorgt de lezer op uiterst geraffineerde wijze de empathie die nodig is om zich met een personage te identificeren. Het gebeurt onverwacht, soms in één enkele zin. Sjalamov geeft de lezer een dreun op de ziel. Het is alsof de misère van Sjalamovs personages met onstuitbare kracht onder onze huid, achter onze ogen, in ons bonzend hart, wordt binnengesleurd. Alleen de héél grote schrijvers kunnen dit bereiken.

Om te laten zien wat ik bedoel, analyseer ik het verhaal dat de titel draagt Op de pof. De titel is een vondst en de vertaling in het Nederlands van die titel is misschien een nog wel grotere vondst. De titel van Céline's roman Mort à crédit is indertijd in het Nederlands vertaald met Dood op krediet. Een vertaling die iedereen met twee jaar mavo ook had gevonden. Op de pof, dat haalt het krediet uit de zakelijke sfeer en brengt volkse connotaties binnen: van afhankelijkheid, onderdanigheid, vernedering. Hij heeft die Mercedes op crediet gekocht is keurig. Tegen het eind van de maand kopen mijn buren alleen nog maar op de pof heeft een akelige geur van minachting. Hier past een oprecht bravo voor de vertaalster.

De titel Op de pof is een vondst omdat hij een metaforische strekking heeft. De politieke gevangenen van Stalin leefden op de pof, overgeleverd aan de willekeur van schoften die macht over ze hadden.

Het verhaal, nog geen zes bladzijden lang, vertelt van het kaartspel in een barak tusen twee gokkende gevangenen, criminelen. Beiden zijn voerman. In het kamp is het een mooie functie, om voerman te zijn. Iedereen zou het wil willen zijn. Maar de functie is niet voor iedereen weggelegd. Alleen criminelen kunnen het worden; politieke gevangenen niet.

Het meest onrechtvaardige en sadistische van de Stalin-kampen was voor Sjalamov niet eens de kou, de zware arbeid, de willekeur, het onmenselijk gedrag van de bewakers. Het afschuwelijkste was de vermenging van die twee categorieën gevangenen, de politieken en de criminelen. Tot de eerstgenoemde categorie behoorden de besten van het volk, vaak intellectuelen, politiek bewuste mensen, die het gewaagd hadden zich kritisch uit te laten over het dictatoriale Sovjet-regime. Ze werden aangeduid als contrarevolutionairen, hoewel ze dikwijls overtuigde communisten waren. De criminelen waren dieven en moordenaars. Alleen al die vermenging was een vernedering voor de politieken, maar het was niet alles: in het kampsysteem hebben de boeven allerlei voorrechten die ze macht geven over de fatsoenlijke gevangenen. Dat aantrekkelijke baantjes aan tuig waren voorbehouden levert daar een voorbeeld van. Het sterkste voorbeeld was dat alleen politieke gevangenen voor een in het kamp begaan misdrijf de doodstraf konden krijgen; criminelen waren daarvan uitgesloten. Als een crimineel er geen bezwaar tegen had om levenslang in het kamp te zitten, kon hij straffeloos doen wat hij wilde, ook moorden. Dat bracht de politieken in een slaaf-meester verhouding tot de politieken.

De barak waar het kaartspel zich afspeelt is een barak van criminelen. De kaartspelers zijn Naoemov, ploegbaas van de voerlui, en Sevotsjka, een doorgewinterde gokker. Sjalamov neemt eerst de tijd om te beschrijven hoe de eigengemaakte kaarten gemaakt worden waarmee wordt gespeeld. Dat is een heel precies werkje. Het eigenhandig maken van een spel kaarten was een van de 'ridderproeven' van een jonge crimineel. Navrant detail: de kaarten waarmee Naoemov en Sevotsjka spelen zijn pasgemaakt, en wel van papier dat is gesneden uit een boek van Victor Hugo dat iemand gisteren in het kantoor had laten liggen. Korter en krachtiger kun je niet aangeven hoe het voor de politieken (die boeken lezen) was om in het kamp met criminelen (die kaartspelen) te moeten samenleven.

Kolyma In die eerste fase van de vertelling kan de lezer bijna denken dat hij met een documentaire te maken heeft. De focaliserende verteller is anoniem en lijkt alwetend. Daarna komt 'de camera' dichterbij. We zien de vuile hand van een van de spelers, een hand met de dunne witte vingers van iemand die niet werkt. De nagel van de pink was onnatuurlijk lang - een zelfde soort chic onder dieven als de gouden, dat wil zeggen bronzen kronen die ze op volledig gezonde tanden en kiezen hadden. De verteller toont hoe scherp hij tijdens zijn kampleven heeft geobserveerd.

Dan komt er een tweede fase. De aandacht richt zich meer en meer op wat er gebeurt in de barak waar Naoemov de baas is. De kaarters worden beschreven, in de beste traditie van realistische vertellingen. De lezer komt te weten wat de inzet bij het spel is. Het gaat om oude kleren, waaraan in harde onderhandeling steeds een geldwaarde wordt toegekend. Dan heeft de verteller het over zichzelf en over een andere politieke gevangene, beiden, als slaven, corpora aliena in de barak van de criminelen. Ik was samen met Garkoenov, een gewezen textielingenieur, brandhout aan het zagen voor de barak van Naoemov. Dat was nachtwerk, na onze arbeid in de mijn moesten we genoeg hout zagen en hakken voor de hele dag. Direct na het eten gingen we naar de voerlui: daar was het warmer dan in onze barak.

Twee politieken dus in de barak van de criminelen, toekijkend bij het kaartspel. De vertelling heeft zijn documentairekarakter nog wel, maar krijgt, beetje bij beetje, een plot. De personages krijgen een gezicht, er is handeling. Het wordt spannend.

Sevotsjka is de betere kaartspeler. Hij wint. Naoemov verspeelt om te beginnen een broek, een jasje en een kussen. Daarna zet Naoemov nog een deken in, een handdoek, een sigarenkoker. Ook die waardevolle spullen verspeelt hij. Daarop vraagt Naoemov om op de pof verder te mogen spelen. Sevotsjka staat dat toe. De pof, crediet zonder rente, het past in een oude traditie van arme mensen die afhankelijk zijn van de goedgunstigheid van een winkelier of van de waard in een café. Niets verwoordt beter de absolute macht van de een over de ander als die toestemming om op de pof nog wat te mogen kopen, nog verder te mogen spelen als je alles al verloren hebt.

Naoemov wint alles terug en verspeelt het daarna allemaal toch weer. Hij heeft eigenlijk niets meer om in te zetten. Hij wenkt de verteller en gebiedt hem zijn jas uit te trekken, opdat Naoemov iets van hem stelen kan dat kan worden ingezet. De verteller gehoorzaamt. Hij blijkt onder die jas niets van waarde te dragen.

Dan wenkt Naoemov Garkoenov. Die blijkt onder zijn bloes een trui te dragen, het laatste geschenk van zijn vrouw voor zijn vertrek op de verre reis. Garkoenov was erg zuinig op die trui, deed hem nooit uit, want iets van wol werd in Kolyma onmiddellijk gestolen. Naoemov gebiedt hem de trui uit te trekken. Garkoenov weigert. Hij wordt door de omstanders tegen de grond geslagen en Sasjka, de barakoudste, steekt hem dood. We mogen aannemen: om bij Naoemov in de gunst te komen. De trui wordt uitgetrokken.

'Was dat nou nodig?' schreeuwde Sevotsjka. Bij het flakkerende licht van de kolymka (een zelfgemaakt lampje, een benzinevergasser) zag ik hoe Garkoenovs gezicht grauw werd. Sasjka boog de armen van de dode uiteen, scheurde de bloes van het lichaam en trok de trui over het hoofd heen uit. De trui was rood, je zag het bloed erop bijna niet. Sevotsjka stopte de trui in de triplex koffer, hij deed het voorzichtig om geen bloed aan zijn handen te krijgen. Het spel was afgelopen en ik kon naar huis. Nu moest ik een andere partner zien te vinden om hout mee te zagen.

Einde verhaal. Twee regels tot besluit. Ze vormen de derde fase in de vertelling.

Kolyma Het is moeilijk uit te maken wat gruwelijker is, de beschrijving van het tafereel van het kaartspel en de sinistere afloop daarvan of het slotcommentaar van de verteller.

Het slotcommentaar, Nu moest ik een andere partner zien te vinden om hout mee te zagen wint het misschien wel in afgrijselijkheid. Het is afgrijselijk dat de reactie van een fatsoenlijk mens bij het misdadig gedrag van een groepje misdadigers, ter plekke almachtig, niet anders is dan dit commentaar.

Waarom probeert hij de moord niet te verhinderen? Waarom roept hij niet: Stop! Hij geen verontwaardiging, noch fel Vuile schoften! Moordenaars!, noch in modo suaviter Was dat nou nodig?. Waarom niet? Waarom trekt de verteller zich terug in een 'innere Emigration'? Het antwoord ligt voor de hand: hij wil overleven.

Dat hij niet ingrijpt, dat hij zwijgt, het is het ergste niet. Het ergste is dat zijn innerlijk commentaar zo totaal zakelijk is, zo onmenselijk koel. Hij denkt zelfs niet: 'wat een schoften'. Zo reageert een mens die losgescheurd is van zijn moraliteit en in wie alleen de wil om te overleven is overgebleven. Het is een mens die een humanisme vertegenwoordigt dat de literatuur in de twintigste eeuw ons heeft leren kennen, een humanisme van de rand van de afgrond. Een humanisme dat een fundamentele vraag stelt: wat blijft er over aan morele regels wanneer één stap verder de ongewenste dood voor je klaar staat?

Wat er in een mens gebeurt, als de triomferende misdadigers je naar de rand van de afgrond hebben geduwd, Primo Levi heeft het beschreven in zijn verhaal De laatste, in De getuigenissen. Hellema, Nederlands' totaal miskende schrijver over dit essentiële onderwerp, heeft het beschreven in zijn verhaal Eén stap van de dood, in Langzame dans als verzoeningsrite. Sjalamov doet het in Op de pof in Berichten uit Kolyma.

Hij doet het met een magistrale verteltechniek. Zijn korte narratieve schets kent drie fasen, met ieder een eigen manier van focaliseren, van kijken, van de 'camera' instellen. In het begin focaliseert een anonieme veelwetende verteller, een expert. Het verhaal heeft dan een documentair karakter. De lezer krijgt een 'blik van buitenaf'. Hij komt interessante dingen aan de weet. Dat aan 'politieken' in het kamp geen paarden worden toevertrouwd, maar wel aan criminelen. Hoe een barak er vanbinnen uitziet, met een eigengemaakt lampje, dat precies wordt beschreven. Hoe de gevangenen zelf speelkaarten fabriceren. Hoe die kaarten eruit zien.

Daarna worden de hoofdpersonen in het verhaal beschreven, nog steeds van buitenaf bekeken. Sevotsjka, de supervalsspeler, met zijn lange pinknagel. Naoemov, de treinrover, die er met zijn diepliggende ogen uitziet als een pelgrim of een lid van de bekende sekte 'God weet het' . Ook hun kleding wordt met grote precisie beschreven, hun bontmutsen, hun viltlaarzen, de kruisen om hun nek, en hoe de mode daarin met de jaren verandert. Hoe de onderhandelingen over de waarde van de inzet (deze lappies, dit kloffie) verlopen.

Kolyma De lezer is net over de helft van het verhaal als de focalisatie verschuift naar een ik-verteller, die ook anoniem blijft, maar die, ik-zeggend, wel een persoonlijk verslag geeft van wat hij ziet gebeuren. We kijken nu mee met die politieke gevangene. De schrijver biedt de lezer een blik samen met. Zo wordt de empathie bij de lezer geactiveerd.

In zijn persoonlijke verslag selecteert de ik-verteller de significante elementen in de vertelling. Als de inzet van Naoemov in zijn geheel in handen van Sevosjka is gekomen, laat de verteller ons weten:

De bruine huid van Naoemovs wangen kreeg langzaamaan een hoogrode kleur.
'Op de pof dan,'zei hij onderworpen.
'Daar zit ik echt niet om te springen,' zei Sevostjka geamuseerd en hij stak zijn hand naar achteren. Onmiddellijk gaf iemand hem een brandende sigaret. Sevotsjka inhaleerde diep en begon te hoesten.

De meekijkende lezer ziet hoe er een machtswisseling onder criminelen in de barak schijnt plaats te vinden. Zonder dat het woord 'macht' hoeft te worden gebruikt. De getoonde tekenen zijn voldoende.

Wanneer de moord op de gedeporteerde textielingenieur beschreven wordt beschreven hebben we het gevoel of de 'camera' extra scherp is ingesteld. De lezer ziet wat de verteller ziet.

Sasjka (let op het troetelnaampje), de barakoudste van Naoemov, diezelfde Sasjka die ons een uur geleden soep had ingeschonken voor het zagen van het hout, boog zich een beetje voorover en trok iets uit de schacht van zijn laars. Daarna stak hij zijn hand naar Garkoenov uit en Garkoenov begon te snikken en zakte op zijn zij in elkaar.

Opperst raffinement: Sasjka trekt iets uit zijn laars. Een mes uiteraard. Maar hij doet het zo snel, of het is zo donker, of de ik-verteller staat zo ver weg, dat hij wel weet maar niet ziet dat het een mes is. Alleen al dat woordje iets geeft de lezer het gevoel dat hij met de verteller meekijkt. Dat hij erbij is.

Pas twee zinnen voor het einde treedt het verhaal in zijn derde focalisatie-fase. In deze coda krijgt de lezer een blik vanbinnen. Eigenlijk kijkt hij niet meer, hij hoort nu. Hij hoort wat de ik-verteller onhoorbaar zegt tot zichzelf. De lezer, als gedachtelezer, komt te weten wat een gedeporteerde overdenkt die getuige is geweest van onmenselijkheid. En komt te weten: de overlevingschantage dwingt de menselijke mens om, als handelend persoon, zich een vernederende marge van onmenselijkheid toe te staan.

Het enige wat de menselijke mens aan de rand van de afgrond aan menselijke waardigheid rest, is zijn de mogelijkheid om getuigenis af te leggen over wat hij heeft meegemaakt. Over wat hij heeft gezien en in zichzelf heeft beleefd. Hellema, Primo Levi, Varlam Sjalamov hebben hebben het gedaan. Ze hebben het hun gegeven talent ten dienst gesteld van die taak van de literatuur: bijdragen tot fundamentele existentiële bewustwording.

Het gebeurde laat weten dat de boeven het in het kamp voor het zeggen hebben, dat zij meester zijn over leven en dood. Sevotsjka's uitroep Was dat nou nodig? nuanceert dat niet, maar onderstreept het; hij heeft het recht om een kritische geluid te laten horen bij het moorddadig handelen van zijn kornuiten. In tegenstelling tot de verteller, de buitenstaander, de onderworpene. Die kan zoiets niet zeggen. En zijn slotoverdenking laat de lezer weten: hij staat zichzelf zelfs niet toe om iets kritisch tot zijn geest toe te laten. Je zou veronderstellen dat hij iets moet hebben gedacht als 'Wat een schoften'. Maar aan morele oordelen is hij voorbij; er rest hem alleen nog de waardevrije, de technische, de droge, harde overlevingspraktijk.

Overleven in zo'n context kan men alleen wanneer men elk verzet staakt. De scène doet denken aan een andere die door Primo Levi wordt beschreven (in het verhaal De laatste, in De getuigenissen): na het door de SS ophangen van een opstandige gevangene in Auschwitz lopen de gevangenen langs het lijk zonder een teken van protest, zonder een blijk van verontwaardiging of andere emotie.

Aan de voet van de galg kijken de SS'ers met onverschillige ogen toe hoe wij langstrekken: hun werk is gedaan, en goed gedaan. De Russen mogen nu komen: er zijn geen mensen meer onder ons, de laatste hangt boven onze hoofden (?).
Een mens vernietigen is moeilijk, even moeilijk als er een scheppen; het is niet gemakkelijk geweest, het heeft niet weinig tijd gekost, maar het is jullie gelukt, Duitsers. Hier lopen we, gedwee onder jullie ogen. Van ons hebben jullie niets meer te vrezen: geen opstandige daden, geen uitdagende woorden, niet eens een oordelende blik.

De evocatie van het leven in Kolyma doet me denken wat ik een overlevende van de Goelag Archipel, een oude communist, hoorde zeggen in een uitzending van Bouillon de Culture, van Bernard Pivot:

De Duitsers waren er op uit om leven te vernietigen, in Stalins kampen werd aan het leven elke waarde ontnomen. Het is waar dat de Duitsers hun vernietigingskampen hadden en het doden van mensen èn als expliciet onmenselijk doel hadden geformuleerd èn een onmenselijk efficiënte werkwijze toepasten om dat doel te bereiken. Het lijkt of de Sovjets daar in beide opzichten qua onmenselijkheid bij ten achter bleven. Todorov heeft in zijn vergelijkend onderzoek in Tentation du mal, tentation du bien gesteld dat men zich daarin vergist, louter en alleen al wanneer men de aantallen slachtoffers vergelijkt. De verklaring daarvoor schuilt natuurlijk in de langere tijd (enige decennia) en de grotere geografische mogelijkheden die Stalin ter beschikking heeft gehad voor zijn uitroeiing van kritische burgers.

Het beklemmende van Sjalamovs verhaal schuilt in de metaforische potentie ervan. Het kampleven is een afspiegeling van het leven buiten het kamp, waar ook de boeven de dienst uitmaken en beslissen over leven en dood. Dat kan iedereen het gevoel geven dat hij op de pof nog even door mag leven, hetgeen misschien verontrustender indicatie is dan wat de titel mort à crédit suggereert die een Franse auteur voor een duistere roman heeft gekozen. In enkele adembenemende bladzijden toont Sjalamov wat het leven op de pof waard is in het sinisere halfduister van een barak in Kolyma...

sjalamov Er zit een moraal in dit verhaal, een moraal die de tegenpool vormt van de uitspraak La propriété est le vol. In het Kolyma-universum is eigendom niet een kwaad maar een gevaar. Die verandering is illustratief voor de radicale verandering van levensvisie, van persoonlijke ideologie, die de extreme existentiële situatie bij de betrokkenen teweeg brengt. De gevangene in Kolyma, de mens in het 'univers concentrationnaire', kan niet anders dan een groot aantal componenten van zijn humanisme buiten spel zetten, overboord gooien, om zijn overlevingskansen niet tot nul te reduceren. Zijn humanisme wordt een nieuw soort humanisme, een humanisme van de rand van de afgrond, van de noodtoestand.

In het kader van deze overlevingsfilosofie moet de laatste zin van Op de pof worden begrepen. Na de dood van zijn partner kan de verteller zich niet permitteren om uiting te geven aan verdriet of verontwaardiging. Zelfs is het verstandiger om zulke gevoelens geheel te onderdrukken, zoals de medegevangenen van Primo Levi deden bij de galg waaraan de laatste hing, de laatste mens, die nog in opstand kwam. De prijs is schaamte. Bij de daders zoekt men die schaamte soms tevergeefs. In Lanzmans film Shoa zegt een Duitse bewaker die in Treblinka slachtoffers naakt in de vrieskou naar hun vernietiging stuurde schaamteloos dat hijzelf het ook koud had. Gelukkig heeft een tweede generatie de beulen tot schaamte veroordeeld, zoals Schlink het heeft geformuleerd in De voorlezer. Bij Levi, bij Hellema, bij Sjalamov komt de navrante, impliciete, schaamte aan de orde van de slachtoffers, van hen die, door de hartstocht van het overleven gedreven, ertoe worden bewogen om alle humanistische franje van vroeger over de rand van hun afgrond in het niets te laten verdwijnen. Zonder een zucht, zonder een snik, zonder enig teken dat de onmenselijke buitenwereld hen zou kunnen aanrekenen.

© Aart van Zoest, juni 2002