Semiotiek van orale literatuur - 3 - Voorwaarden

Semiotiek van orale literatuur - 3 - Voorwaarden

Een noodzakelijke voorwaarde om te kunnen spreken van communicatie is dat er een Zender is, een Boodschap en een Ontvanger. De Zender en de Ontvanger kunnen individuen zijn of collectieven. Ik zie daaraan graag een voorwaarde toegevoegd, om van werkelijke communicatie te kunnen spreken; namelijk dat er rolwisseling mogelijk is. Dat de Ontvanger kan reageren op de Boodschap. Hij moet op zijn beurt tijdens de communicatie Zender kunnen worden.

Er zijn situaties waarin de rolwisseling heel beperkt is of zelfs totaal onmogelijk. In dat geval heeft de Zender een monopoliepositie. Dat doet zich voor waar wel van massa-communicatie wordt gesproken, maar waar in werkelijkheid sprake is van massa-manipulatie.

Wanneer orale literatuur wordt overgedragen, door een verteller, door een Afrikaanse 'griot' bijvoorbeeld, of door een 'dlang' tijdens een wayang-uitvoering, dan is er werkelijk sprake van communicatie.

Ik heb de anthropologische studie gelezen die een Nederlandse onderzoeker Jan Jansen heeft geschreven over zijn research in Kela, een dorpje in Mali, West-Afrika. Jansen beschrijft hoe een griot eens in de zeven jaar uit zijn hoofd het epos voordraagt over Sundjata, die beschouwd wordt als de stichter van de dorpsgemeenschap.

Tijdens die plechtigheid worden geen vreemdelingen toegelaten in de heilige hut. Er bestaan geen audio- of video-opnamen van het gebeuren. Niemand schendt het geheim; er mag niet over het gebeuren worden verteld. Maar toch is de tekst wel bekend geworden en ook zijn er gegevens bekend over de omstandigheden. Dat is te danken aan het intensieve, geduldige en begripsvolle onderzoekswerk van Jansen. Hij leefde maandenlang in de hut van Lansine, de griot. Hij stelde hem vragen, interviewde hem en observeerde hem, in een afmosfeer van vriendschap en wederzijds respect.

Jansen vroeg Lansine of hij al een opvolger op het oog had. Lansine antwoordde dat het vrijwel zeker niemand anders wezen kon dan de 'naamunaamuna'. Een naamunaamuna is degene wiens taak het is om tijdens de uitvoering, die zo'n vier uur in beslag neemt, luid en duidelijk na elke zin te zeggen 'naama'.

'Naama' betekent in de taal die in Kela gesproken wordt: 'zo is het'. Zo men wil: 'inderdaad'. Of 'ja, dat is waar'. 'natuurlijk'. De naamunaamuna is dus de zo-is-het-zegger.

Dat tussenvoegsel heeft op het eerste gezicht een pragmatische functie. Zo ongeveer als de minimale respons in een dialoog die het karakter krijgt van een monoloog. Het doet zich voor wanneer aan de telefoon een van de gesprekspartners lang achtereen aan het woord blijft en de ander alleen maar moet luisteren. Dan is dit essentieel: dat die ander van tijd tot tijd een humhum-geluid laat horen. Dat is dan een teken dat de luisterende zich aanpast aan een impliciet vereiste, namelijk dat de spreker te horen krijgt dat er nog steeds naar hem wordt geluisterd. Het teken geeft de spreker tegelijkertijd permissie om door te gaan.

Er zijn situaties waarin de minimale respons een andere betekenis kan hebben. Het kan ook worden opgevat als een teken van instemming. De betekenis van 'humhum' is dan: 'ik ben het met je eens'. Ik veronderstel dat de interventie van de naamunaamuna tijdens het Sundjata-ritueel beide pragmatische functies tegelijk heeft. In die pragmatiek hoort dan ook de aanname dat hij als vertegenwoordiger van de luisterende aanwezigen optreedt. Dan betekent zijn 'naamu': 'we luisteren nog' en ook 'we zijn het er mee eens'.

De betoonde instemming is betekenisvoller, geloof ik, dan het open doekje dat, bijvoorbeeld, tijdens muziekuitvoeringen in het westen af en toe kan opklinken. Zo'n open doekje betekent: 'bravo, wij vinden dit prachtig'. De naamunaamuna laat, veronderstel ik, horen: 'dit is correct', 'dit is volgens de verwachting, ritueel goed verteld'. Of mogelijk ook: 'dit is volgens ons naar waarheid verteld'.

Er zijn zo basale voorwaarden voor communicatie in orale literatuur. Rosa Knorringa, specialiste op het gebied van orale literatuur, heeft in haar boek 'Het oor wil ook wat' gesteld dat. Over mondelinge literatuur' gesteld dat het publiek het vertelde verhaal al kent. Men wenst niet iets nieuws. Men wil dat niet wordt afgeweken van wat de aanwezigen van de performer verwachten. Met kinderen die zich voor de zoveelste keer hetzelfde sprookje laten vertellen is het niet anders gesteld. Deze voorwaarde beantwoordt aan een diep in de mensenziel verankerde behoefte dat aan het sacrale teksten niet wordt gesleuteld.

Voor de verteller geldt de basisvoorwaarde: probeer niet origineel te zijn. Hiermee is een belangrijk verschil aangegeven met de verteller, in het westen, van geschreven literatuur. Sinds het verlaten van de klassieke creatieve ideologie, die emulatio inhield van de kunstenaar met een antiek voorbeeld, sinds de komst van modernisme en postmodernisme, geldt een voorwaarde van onverwachtheid en originaliteit.