Semiotiek van orale literatuur - 4 - Functie

Semiotiek van orale literatuur - 4 - Functie

De belangrijke verschillen tussen geschreven en mondelinge literatuur hebben ook te maken met de verschillen in receptie, de beleving. Orale literatuur wordt meestal collectief beleefd. Vaak in de open lucht. Met geschreven literatuur is de Ontvanger vrijwel altijd alleen, binnenshuis.
In delen van de wereld waar mensen zich graag als individuen isoleren, achter muren, die ze beschermen tegen de kou en ook tegen andermans nabijheid en mogelijke verstoring van concentratie, daar streeft de Ontvanger van de literaire Boodschap naar een minimale communicatie-situatie. Dat individu wil wel communicatie, maar dan alleen met de soevereine Zender van de Boodschap. Hij is dan ook alleen met de gematerialiseerde Boodschap, het boek. Wat hij wil is: met een boekje in een hoekje. Voor de westerse lezer is dat zijn ideale manier om zich op de literaire Boodschap te concentreren.

In landen waar het klimaat milder is en waar, in het algemeen gesproken collectiviteit boven individualiteit gaat, zijn de condities gunstiger voor de ontvangst van orale literatuur. Ook zal een traditionele voorkeur van het mondeling vertelde boven het geschrevene een factor van betekenis zijn.

De performance van de orale literatuur impliceert een situatie waarin de Zender in onmiddellijk contact is met zijn Ontvanger.
De collectieve Ontvanger bestaat gewoonlijk uit een groep mensen tegenover wie allerlei soorten non-verbale tekensystemen kunnen worden gebruikt. Behalve zijn linguistische en paralinguistische semiotische instrumenten, zoals bijvoorbeeld stemveranderingen, kan de verteller ook nog gebaren, mimiek, muziek, dansen, beeldscherm-trucs, wat al niet, in werking bengen. Het spectrum van zijn semiotische mogelijkheden is tijdens live-uitvoeringen eindeloos veel uitgebreider dan bij lezen alleen, in contact met een geschreven tekst. In die situatie is er natuurlijk wèl één belanrijk voordeel: de vrijwel onbeperkte vrijheid die aan de verbeelding gelaten wordt.

Een bandopname kan een idee geven van de werkelijkheid tijdens de uitvoering. Maar veel gaat uiteraard verloren. Het fysiek van de Zender valt weg, en dat geldt ook voor zijn gebaren en gelaatsuitdrukkingen. Een filmopname kan dat bezwaar voor een groot deel wegnemen, maar niet voor honderd procent. Wat nooit gehoord of getoond kan worden is de algehele sfeer van samenzijn, het gevoel dat bij al die individuen bestaat, in hun kwaliteit van collectieve Ontvanger. Wat te zeggen over hun collectieve plezier, hun ergernis wellicht, hun begrip, hun gevoelens van identificatie?

Waar mensen tezamen verwijzingen herkennen naar zaken die zij bij de anderen bekend weten, op het gebied van kennis, geschiedenis, tradities, ontstaat een besef van culturele coherentie. Dat is dan een moment van sociosemiotisch en sociopsychologisch belang. Zulke momenten hebben hun plaats in de mentale geschiedenis van een culturele groep, die ook een sociale groep, soms een geheel volk kan zijn.

De intenties van een schrijver, die Zender is van een geschreven Boodschap, verschillen fundamenteel van de Zender van een mondelinge Boodschap, een dalang tijdens een wayang-voorstelling bijvoorbeeld. Ik zou het zo willen stellen: de schrijver streeft naar het overbrengen van kennis die hij verworven heeft langs lijnen van empathie. Hij heeft de wereld geobserveerd. Buitenwereld en binnenwereld. Hij heeft fenomenen geïnterpreteerd. Hij vertelt daarover, hij geeft daaraan expressie.

De Zender van de orale tekst (in de breedst mogelijke betekenis van het woord 'tekst' - wie danst geeft ook een 'tekst' te zien) brengt een Boodschap over met een intentie van sympathie. In performance-kunst schuilt een religieuze, een sacrale en zelfs een magische component. Dat blijkt wanneer we de globale thema's van orale literatuur met elkaar vergelijken. Knorringa heeft gesteld dat we in Afrikaanse mondelinge literatuur en ook in Europese een interesse aantreffen voor familiale origines. Met belangrijke verschillen. Meer aandacht voor de wreedheid of onvermijdbar noodlot, voor lijden, voor de macht van de machtigen, en de belangen van de clan, in Afrika. Terwijl in Europese culturen er thema's bestaan als: de dreiging van de natuur (Duitsland), interventie van Christelijke heiligen (Ierland), klein volk dat weet te overleven dank zij intelligentie (Frankrijk). Allerlei overlappingen zijn er natuurlijk ook. Dat kleine volk dat zegeviert dank zij intelligentie vinden we ook bij het Indonesische hertje, de kancil. Verre van een krachtpatser, maar o zo slim. Een sympathiek extra uit volkse traditie, naast de geheiligde helden uit Mahabarata en Ramayana.

Taal is een overwegend symbolisch tekensysteem. Het is het dominerende tekensysteem in geschreven literatuur. Ik gebruik 'Symbool' hier in de betekenis die aan het woord is gegeven door Charles Sanders Peirce in zijn tekentypologie. Voor Peirce is een 'Symbol' een conventioneel teken. Om een taal te berijpen, bijvoorbeeld, moet je die taal kennen. Een taal is een code. Wie geen Japans kent, kan geen Japanse haiku begrijpen en appreciëren.

In orale literatuur is er een belangrijke rol voor iconische tekens. Bekijk Semar (hierboven afgebeeld). Hij is een figuur die we kennen van wayang kulit. We weten dat hij geen prins is, zoals Arjuna. De fysieke gestalte van Semar laat dat overduidelijk zien. Met hem zullen we niet zozeer huiveren, maar wel aan het lachen worden gemaakt. De kleine Kancil, die er zo kwetsbaar uitziet, vertedert ons wanneer wij hem afgebeeld zien naast de angstaanjagende Tijger of de wrede, lelijke Krokodil.

Ervaren vertellers kunnen ons verbale schilderingen voortoveren, wanneer ze vertellen van Kancils slimme oplossingen in gevaarlijke situaties. Zo komen in orale literatuur psychologische kenmerken tot ons door middel van non-symbolische tekens. Dat gebeurt dank zij de verleidende werking van de iconische tekens. Het Icoon is het teken dat zijn effectiviteit heeft, speciaal in kunst en literatuur, dank zij vergelijking en gelijkenis.

En dan is er de Index, zonder welke noch Symbool noch Icoon hun semiotische werking kunnen hebben. Index is het wijzende teken in de typologie van Peirce. De rol van de Index is in orale literatuur heel anders dan in geschreven literatuur. Natuurlijk is de verwijzing naar bestaande kennis in beide literaire vormen van fundamenteel belang. Maar het verschil is dat, terwijl geschreven literatuur de ontdekking claimt van nieuwe waarheid, de orale literatuur veel meer gericht is op het behouden een reeds verworven en door mensen gedeelde kennis.

Indexicaliteit is contiguïteit, aangrenzendheid. Het indexicale teken is een soort existentiële 'buur'. De vinger die naar iets wijst, teneinde daar de aandacht op te vestigen, is semiotisch waardeloos als er niet de nabijheid is van dat waarnaar verwezen wordt. Zonder die 'Referent', dat 'Denotatum' is het een eken van niks. Wanneer we over een berg spreken en er met een vinger naar wijzen, moet die berg er wel zijn. Die wijzende vinger heet in het Frans een Index. Daarom heet de Index Index.

Dankzij de werkzaamheid van indexicaliteit in orale literatuur is die literaire vorm in staat om zijn conserverende taak voor tradities en gemeenschappelijke kennis te vervullen. Ik veronderstel dat iedereen die een wayang-voorstelling bijwoont van de mentale attributen op de hoogte is die men associeert met de narratieve elementen. Arjuna is een edele held, dat weet iedereen. Semar is een koddige figuur van lagere orde. Hij is een underdog, maar slim, in staat om met een grap de waarheid uit te spreken die hoort bij delicate actuele onderwerpen. Het kost het publiek geen moeite om de relatie te leggen tussen zijn woorden en de werkelijkheid waarnaar hij verwijst. De lach van het publiek is er een van opluchting dat iemand zegt wat anderen niet durven uit te spreken. Orale literatuur is dan wel een garantie voor de handhaving van wat tot een nationaal erfgoed behoort, er is ook plaats voor die lach, die de garantie biedt dat hetpatrimonium méér is dan een dood geheel. Het is een levend cultureel lichaam.