De spijkertjes van Vader Lurf

De spijkertjes van Vader Lurf

Vader Lurf was schoenmaker in Broek in Waterland. Hij was erg goed in het repareren van oude schoenen. Die zette hij op zijn leest. Dat is een ding van roestig ijzer, met drie poten. De onderste poten zorgen ervoor dat de bovenste rechtop blijft staan.

Op de omhooggerichte poot zette vader Lurf de schoen die een nieuwe zool moest krijgen. Daarna sneed hij een stuk leer zó dat het onder de schoen paste. Hij drukte de nieuwe zool tegen de oude zool aan. Met zijn hamer sloeg hij spijkertjes langs de rand van die nieuwe zool. Hij had ze voorzichtig in zijn mond voordat hij die spijkertjes op hun kop sloeg. Het waren kopspijkertjes. Soms vergat vader Lurf dat hij de spijkertjes tussen zijn lippen klemde. Dat was als hij moest lachen. Wanneer vader Lurf lachte konden de buren het horen, want hij bulderde. Zijn mond ging daarbij wijd open. De spijkertjes spatten dan uit zijn mond en vielen op de grond. Het leek wel of zij op de vlucht sloegen voor het bulder-geluid.

Vader Lurf lacht tegenwoordig iets minder dan vroeger. Hij heeft geen klanten meer. Bijna alle mensen lopen tegenwoordig op een soort basketbalschoenen. Nikes. Daar komt geen leer aan te pas, geen reparatie en geen schoenmaker. Er zijn nog wel mensen met leren schoenen, maar als die kapot zijn, die schoenen, dan gooiden ze, die mensen, ze gewoon weg. Nee, vader Lurf heeft niets meer te doen. Hij is een schoenmaker in ruste geworden. Hij kijkt nu veel naar de tv, bakt af en toe een eitje en vertelt graag over de mooie schoenen van vroeger. Aan zijn kanarie, meneer Geel, de enige die naar die verhalen luisteren wil. Wil? Nee, moet. Want meneer Geel zit in een kooi. Zielig? Jazeker, maar kanaries weten niet beter of het hoort zo. Wie heeft er ooit een vrije kanarie gezien? Ik niet.

Zijn kopspijkertjes bewaarde vader Lurf nog wel. In een houten doos.

Vader Lurf heeft drie zonen: Gerrit, Simon en Koos. Het zijn rotjongens. Altijd rotstreken. Ze schoppen naar duiven die op de grond een weggegooid klokhuis proberen op te eten. Ze geven een klap onder de hand van hun buurmeisje Roxane. Die hield net een zakje patat mèt vast. Hup, dat viel op de grond, alle patat mèt. Roxane huilen, de Lurven lachen. Bah. Ik word gewoon kwaad als ik het vertel.

En moeder Lurf, zul je vragen, hoe is het daar mee? Als ik dat vertel word ik niet boos maar wel verdrietig. Moeder Lurf is weggelopen. Ze woont nu in Ilpendam met een andere meneer.

Op een dag is vader Lurf even een boodschap doen. Gerrit snuffelt in de werkplaats. Ineens roept hij: 'Jongens, kijk eens wat ik vind.' Hij laat aan zijn broers de houten doos zien met de kopspijkertjes. 'Joepie', roept Simon, die komen goed van pas.' Waarom?' vraagt Koos. 'Snap je dat niet, stomkop?' zegt Simon. Zo praten die Lurvenjongens meestal onder mekaar. Koos geeft hem een stomp als antwoord, zeggende: 'Vanmiddag begint op het Kerkplein toch de Ronde van Broek in Waterland'.

De Ronde van Broek in Waterland is een wielerwedstrijd. De deelnemers rijden honderd keer rond de kerk. Wie wint krijgt een vlaai, speciaal gemaakt door de Keukenprinses van Broek in Waterland. Ze heet Anne.

Het is erg feestelijk om de kranige renners te zien trappen en zweten. Ze hebben gespierde kuiten en kleurige truitjes. Er komt veel publiek op af. De mensen hebben er plezier in om naar ze te kijken. Soms wordt een toeschouwer getroffen door vliegend snot. Renners hebben geen tijd voor een zakdoek, als ze snuiten willen. Ze leggen een vinger op één van hun twee neusgaten en blazen door het andere de grijze smurrie in volle vaart naar buiten. Nou ja, dat hoort er bij. Iedereen lacht, behalve de getroffene. Gelukkig kan die even een zakdoek lenen uit het handtasje van Oma Greta.

'We gaan lekker kopspijkertjes voor de wielen van de renners gooien', zegt Simon Lurf. Hij lacht gemeen bij het idee. 'Joepie' roepen Gerrit en Koos. 'Wat zullen de banden knallen', zegt Simon. 'En wat zullen ze lelijk vallen', rijmt Gerrit. 'Wat zullen ze hun armen en benen schaven', roept Simon enthousiast. 'Ik ruik al bloed,' kirt Koos. 'Misschien breekt er wel eentje een been,' gniffelt Simon.

Het zijn echte rotjongens, ik heb het al gezegd. Kijk, daar gaan ze de deur uit, op weg naar het Kerkplein. Gerrit draagt de houten doos met kopspijkertjes voor zijn borst. Hij heeft de deksel open gelaten om de spijkertjes te kunnen zien. Vlak voor hun deur botsen ze bijna tegen Roxane aan. Wat een toeval. 'Hé, wat heb je daar?' vraagt Roxane aan Gerrit. 'Kijk maar', zegt Gerrit. Hij duwt haar de doos onder de neus.

'O. Leuk', zegt Roxane. Terwijl ze dat zegt geeft ze een flinke klap tegen de bodem van de doos. Ze vervolgt haar weg, terwijl de gebroeders Lurf sprakeloos naar de grond staren. Daar liggen ze, de spijkertjes. In de modder. Roxane huppelt naar het Kerkplein om naar de renners te gaan kijken. Haar rode vlechtjes dansen vrolijk in de wind.