Sartre, aansteller?

Sartre, aansteller?

Ooit was Bernard-Henri Lévy in Amsterdam en vertelde over de oude Sartre, die hij had meegemaakt in zijn laatste levensfase. Sartre was toen blind. Dat was vreselijk voor hem. Omdat kijken zo belangrijk voor hem was. De ander is er, omdat je hem ziet. Een echt existentialistisch standpunt.

Hoe had BHL van zijn kant aangekeken tegen Sartre? Hoe zou hij, BHL, hem karakteriseren, die oude Sartre? De vraag werd gesteld. Het antwoord was verrassend.

Twee dingen waren BHL opgevallen. De oude Sartre leek hem onverschillig geworden. En aanstellerig.

Onverschillig? Sartre? Die het zijn levenlang allerminst was geweest? Toen ik het hoorde, meende ik het te begrijpen. Oud worden is immers vooral: onthechten. Onthechten moet je, of je wilt of niet. Wie ouder wordt moet zich losmaken van de mogelijkheid om een sprintje te slaan teneinde de bus nog net te halen die op het punt staat te vertrekken. Moet afzien van die mooie eindeloze wandelingen van vroeger, langs de Pennine Way of het South Devon Coast Path. Moet niet doorzakken en doordansen op een onvergetelijk feest. Moet niet langer àlle beminnenswaardigen - of begeerlijken - willen behagen.

Wie oud wordt moet zich langzamerhand vertrouwd maken met de tedere onverschilligheid van de wereld. La tendre indifférence du monde. Camus formuleert het zo, prachtig, aan het einde van 'L'étranger'.

Die onthechting kan de indruk wekken van onverschilligheid. Het is een no-nonsense-houding. De houding van degene die geen rolletje meer hoeft te spelen.

Dat is het voorrecht van oud-worden. Veinzen hoeft niet meer. Wie op weg is om dood te gaan, heeft het recht om met alles voor de dag komen. Dat heeft François Villon uitgedrukt met zijn versregel: 'Qui meurt a ses lois de tout dire'.

Ze hoeven eigenlijk niets meer verbergen, de oudjes. Maar ze doen het toch, merkwaardig genoeg. Ze koketteren er nog danig op los of spelen op zijn minst rolletjes die bestemd lijken om hun onvolkomenheid te maskeren. De jonge Sartre heeft daar mooie voorbeelden van gegeven in zijn filosofische pil 'L'Etre et le Néant'. Tegenover dat spelletjes-spelen plaatst hij de echtheid, die je bij mensen ook vindt, gelukkig. 'Authenticiteit' heeft hij dat genoemd. We noemen een authentiek iemand ook wel: iemand die gewoon zichzelf is. Whatever it may be.

Het is intrigerend om waar te nemen, oudjes die zich aanstellen. Sommigen spelen dat ze zielig zijn. Anderen zijn het maar spelen dat ze het niet zijn. Vreemd, dat ze het doen, terwijl ze zich juist van de noodzaak om het te doen kunnen onthechten. Zelfs Sartre schijnt het te hebben gedaan.

Het kan lijken dat de mens onverbeterlijk is. Een beetje dom, maar eigenlijk ook wel een beetje vertederend. Omdat het herkenbaar is?