De reuzebovist

De reuzebovist

Jodocus liep langs de wei van boer Hendriks. Het was erg koud voor de tijd van het jaar. Vooral door de zuidwestenwind. Die ging je door merg en been. Gelukkig had Jodocus zijn nieuwe jack aan. Een bomber-jack. Had hij voor zijn verjaardag gekregen. Had hij op zijn verlanglijst gezet. Jodocus wilde er uitzien als een piloot.
Vandaar.

Er was geen koe te zien in de wei. Jammer. Boer Hendriks had ze al op stal gezet. Hij wilde niet dat zijn koeien het koud hadden, zei hij. Maar iedereen wist wel dat hij zijn koeien liever op stal had dan in de wei. Dan poepten ze niet in het wilde weg. Dat zat erachter, maar boer Hendriks zei liever dat hij niet wilde dat zijn koeien het
koud hadden.

Het landschap was wel saai, zo zonder koeien, vond Jodocus. Terwijl hij dat vond, viel zijn oog op een grote ronde witte paddestoel. Die paddestoel was eigenlijk geen paddestoel maar een bovist. Een reuzebovist. Jodocus wist dat precies, want hij was een paddestoelenfreak.

Als ze jong en stevig zijn, kun je ze in plakken snijden, in de
koekenpan een beetje bakken en ze dan opeten met peper en zout. Smakelijk hoor. Jodocus had ooit een reuzebovist mee naar huis genomen. Dat ding woog wel drie kilo. Jodocus had gemerkt: als je van de reuzebovist eet, word je daar een tikkeltje giechelig van. Wel lollig.

Als ze oud worden, die reuzebovisten, dan worden ze rimpelig, net als mensen. Eten kun je ze dan niet meer. Die bovisten, bedoel ik. Vanbinnen zit een bruin poeder. Dat stuift naar buiten als je ze
flink op hun kop slaat. Leuk om te doen, eerlijk is eerlijk.

Dit was een oude, daar ging Jodocus vanuit en hij zou hem eens flink op zijn kop slaan. Maar wat zag hij? Bovenop die witte bol zat heel parmantig een in het rood geklede kabouter. Hé, dat was Thomas. Duidelijk te herkennen. Een kabouter zonder baard en lekker bruin, dat kon er maar eentje zijn, Thomas. Iedereen wist dat hoofdkabouter Kwansuis er mordicus tegen was, dat Thomas geen baard had. Maar
Thomas trok zich daar niets van aan. Hij zei: 'Ik doe niemand kwaad, met mijn baardloze kin.'

'Hm', zei Jodocus.
Het 'Hm' van Jodocus betekent altijd 'Daar moet ik nog eens rustig over nadenken.'

'Wat doe je?' vroeg Jodocus.
'Niets', zei Thomas.
'Is dat moeilijk?'
'Heel erg.'
'Waarom?'
'Omdat we altijd iets willen doen. En niets doen, dat is niet iets doen. Begrijp je?'
'Ja,' zei Jodocus. 'Weet je wat, Thomas, ik kom even naast je zitten. Om te kijken hoe jij dat doet, niets doen.'
'Doe het niet!' riep Thomas nog. Want die bovist was wel een reuzebovist, maar toch te klein voor Jodocus om op te zitten.

Toen Jodocus zijn billen naast die van Thomas neerzette, verpletterde hij daarmee de witte rimpelige huid van de reuzebovist. Die scheurde helemaal open. Er kwam een grote bruine stofwolk tevoorschijn, waar Thomas helemaal in verdween.

'O jee.' Jodocus sprong gauw op. Hij schaamde zich en riep: 'Sorry, Thomas.'

Thomas krabbelde onder het spul vandaan. Hij snoof. Hij proestte. Hij niesde. Hij keek Jodocus woedend aan.

Die riep: 'O Thomas, nou ben je nog bruiner dan je al was.'
Toen haalde Thomas zijn zakspiegeltje tevoorschijn, keek en begon tevreden te grijnzen. 'Je hebt gelijk,' zei hij.