Solzjenitsyns onvergetelijke zin

Solzjenitsyns onvergetelijke zin

Wanneer van een schrijver, hoe beroemd hij moge zijn, niet één zin bij je is blijven hangen, dan hoort hij niet thuis in de eredivisie van de literatuur. Solzjenitsyn hoort er, wat mij betreft, alleen al door overdenking van Oleg Kostoglotow aan het eind van 'Kankerpaviljoen'.

Kostoglotow is genezen verklaard en verlaat het ziekenhuis. Dat mag wel een happy ending heten. Hij is gesjochten, geen vriend van Stalins regime, maar gaat welgemoed het begin van zijn moeilijk leven in de naoorlogse Sowjet-Unie tegemoet. Het eerste dat hij doet is een warenhuis bezoeken.

Zijn begeerte gaat naar allerlei waren uit. Een voorbeeld: 'De herenregenjassen vielen erg in zijn smaak.' Maar hij merkt dat hij daar driehonderdvijftig roebel voor neer zou moeten tellen. 'Een maandsalaris.'

'Hij liep door. Hij kocht nergens iets, maar voelde zich of hij een portefeuille vol geld bezat en aan niets behoefte had.'

Deze armoedzaaier heeft in zijn euforie toch het gevoel een funshopper te zijn. Dat geeft Solzjenitsyn feilloos weer. Maar dan komt het.

Oleg voelt de verleiding in zich onwaken om een bepaald nylon overhemd te kopen. Wit met groene streepjes. Maar beseft dat hij het zich niet veroorloven kan. Naast hem verschijnt dan een 'man in een keurige overjas'. Dat is kennelijk een apparatsjik, een welgestelde.

'Het was hem niet om de kunstzijden hemden te doen, hij wilde een echt zijden.' "Hebt u een maat veertig voor me?" vroeg hij beleefd aan de bediende. "Boordwijdte zevenendertig."

En dan volgt de voor mij onvergetelijke beschrijving van wat er in Kostoglotow omgaat.

"Er ging een schok door Oleg heen. Het was of ze met ijzeren vijlen langs zijn beide flanken schuurden. Verbijsterd draaide hij zich om en nam die gladgeschoren man, met zijn volkomen ongeschonden gezicht, zijn nette vilthoed en tegen zijn witte overhemd afstekende das eens goed op. Hij keek hem aan alsof de ander hem een oorveeg had gegeven en een van hen tweeën al heel gauw de trap af zou worden gesmeten.
Hoe zat dat toch? Sommigen lagen te rotten in loopgraven, anderen kwmen in massagraven terecht, in ondiepe kuilen onder eeuwige sneeuw, weer anderen werden voor de eerste, tweede of derde keer naar een kamp gestuurd, in gevangeniswagens van station naar station gesleept, moesten zich afbeulen met houwelen, sloofden van vroeg tot laat om een gelapte doorgestikt jak te kunnen kopen - en hier had je dit sjieke heertje, dat niet alleen zijn overhemdmaat wist, maar ook nog zijn boordwijdte!
Dat laatste deed voor Oleg de deur dicht. Een boord met een eigen speciaal nummer, hoe was het mogelijk? Hij onderdrukte een pijnlijk gekreun en keerde de overhemden resoluut de rug toe. Je boordwijdte ook nog - waarachtig! Wat werd je wijzer van zo'n verfijnd leven?'

En dan nadert die voor mij onvergetelijke zin, die een levensprogramma inhoudt.

'Als je je boordwijdte uit je hoofd weet, vergeet je dan niet onherroepelijk iets anders, iets belangrijkers?'

Waar maak je druk om in je leven? Wat vind je belangrijk? Wat stop je in je hoofd? Het bepaalt wat voor mens je bent, hoe je ziel d'r uit ziet en wat voor leven je leidt.