Het einde van Heinde en van Verre

Het einde van Heinde en van Verre

Elk jaar was er een wedstrijd tussen die dorpen. Touwtrekken. Er was geen brug over de rivier Droevenis. Daarom gooiden ze het touw gewoon naar de overkant. Dan begonnen ze te trekken, uit alle macht.

Iedereen deed mee, want ze vonden het geweldig leuk, touwtrekken. Ze hadden gemerkt dat je kon winnen als je meer touwtrekkers had dan die van de overkant. En het was ook handig als de touwtrekkers dik waren.

De wedstrijd Fielmich-Fakkeldij

 De wedstrijd Fielmich-Fakkeldij

Meneer Fielmich is kapper in Almere. Elke week gaat hij naar Amsterdam. Op de Herengracht belt hij aan bij de winkel van meneer Fakkeldij. Die komt dan naar buiten met zijn bal. De beide heren begeven zich te voet naar het Vondelpark. Bij het Leidsebosje zien ze dokter Fiedeldijdop op een bankje zitten. Die gaat mee naar het grasveld bij het Blauwe Theehuis.

Barney Agerbeek

Barney Agerbeek

Een kind bedelt in Jakarta, bij een stoplicht, waar de waanzinnige verkeersstroom even tot stilstand komt. Een automobilist reikt door het ternauwernood geopend raam zijn hand met aalmoes naar de hand van het kind dat hem keurig bedankt.
Voor het geestesoog van de minnaar komt het beeld van zijn geliefde tot leven.
Een man vraag zich af: zal ik jagen om te leven?
Barney Agerbeek observeert scherp, in de zichtbare wereld en in de onzichtbare.

De handen

buiten in de sawahs
in de nacht
droomt hij van rupiahs
en glimlacht

binnen de stad trekt
verkeer scheuren
in de nacht

Eeuwige sneew

Eeuwige sneew

De eenzame wandelaar zag de eeuwige sneeuw. Het vervulde hem met grote vreugde. Hij wist: nu ben ik hoog. Hij begon grote passen te maken om sneller voorwaats te gaan.

Wat een mooi uitzicht. Een bergtop met bovenaan al dat wit.

Toen hij dat zag, vergat hij bijna hoe moe hij was. Hij was 's morgens om vijf uur begonnen te lopen. En nu was het twaalf uur. De zon stond op zijn hoogste punt aan de hemel.

De tenen van Krijn

De tenen van Krijn

Krijn Körig mocht de eerste steen leggen. Een hele eer.

Maar wist Krijn veel. Hij was nog pas twee jaar oud. Iedereen die om hem heen stond het het beter gekund dan hij. Maar hij was nu eenmaal de zoon van de bouwheer.

De ooievaar van Lutjewinkel

De ooievaar van Lutjewinkel

Lange tijd werden in het dorp Tuitjenhorn de baby'tjes niet uit een moeder geboren. Tot voor kort werden ze daar nog door de ooievaar gebracht, ook toen overal in de beschaafde wereld de baby'tjes al gewoon uit een moeder kwamen.

Vroeger wisten de mensen niet waar de ooievaar woonde die de baby'tjes bracht. Maar tegenwoordig wonen er wat minder ooievaars in Nederland. Het is voor de vogelonderzoekers nu gemakkelijk om te weten dat je met die ene speciale ooievaar te maken hebt. De ooievaar van de baby'tjes is trouwens goed te herkennen aan zijn zwaar geschapen snavel.

In het verpleeghuis

In het verpleeghuis

We gaan zitten aan een ronde tafel in de recreatiezaal, mijn moeder en ik. Ik haal voor ons beiden een coupe-Slotervaart. Dat is, in een glas, een bol vanille-ijs, daarover een forse scheut advocaat, en bovenop een dot slagroom van heb ik jou daar. Dat wil er wel in, in dat lieve mondje zonder tanden.

Semiotiek van de aanraking

Semiotiek van de aanraking

Twee mensen bedrijven de liefde. Twee mensen kussen elkaar, strelen elkaar. Ze schudden elkaar de hand. In al deze gevallen van aanraking doet tastzin zijn werk en is er semiosis, betekenisgeving. Lichaamscontact biedt de tastzin een bijna onbeperkt scala aan mogelijke betekenisdragers. Hoe fijnkorrelig is de huid? Is die hard of zacht? Hoe droog, hoe vochtig? Hoe warm, hoe koud? Hij kan sidderen, eventjes maar of langdurig. Hoe intens is het contact? Hoe zwaar weegt die andere huid, hoe indringend is de uitgeoefende pressie?

Jantien blaast bellen

Jantien blaast bellen

Jantientje blaast graag bellen. Ze gaat dan op het gras zitten vlakbij de gouden regen. Het leukst vindt ze de kleine bellen, ook al zijn die niet zo kleurig als de grote. Soms komt er een hele grote bel, zo groot dat hij niet echt rond meer is; hij lijkt op een veel te volle tas in een supermarkt. Zo'n dikke bel zakt al gauw naar de grond en blijft dan een tijdje in het gras liggen. Dan ploft hij uit elkaar.

De portemonnee

De portemonnee

Hannes liep op klompen, vanwege het liedje misschien. Keimpe deed daar niet aan mee. Hij had gewoon zijn hoge schoenen aan, met ijzerbeslag. Dan sleten de zolen niet. 'Stevige stappers', zei moeder. 'Schoenen voor je hele leven.' 'Jaja' dacht Keimpe. 'Prima hoor. Als je voeten niet groter werden. Maar dat worden ze wèl. Dan gaat het lelijk knellen.' Maar hij zei niets. Hij zei haast nooit iets. Hij dacht des te meer. Keimpe was een doordenker. Hij wist: 'Gedachten zijn vrij.' Daar genoot hij van. Dat anderen niet konden weten wat hij dacht.

Inhoud syndiceren