Plof

Plof

De plofkip hebben we al. En ik heb het woord plofkoe ook al eens horen vallen. En gisteren zag ik het eerste duidelijke exemplaar van de plofmens. Hij zat met me in dezelfde tram en hij stapte één halte vóór mij uit. Ik had alle tijd om hem waar te nemen. Hij was zó dik dat hij maar net door de uitgang kon afdalen naar de buitenwereld.

's Avonds op de tv kreeg ik ook even zicht op plof-vastgoed. Er is ergens een enorm winkelcentrum waaraan een naam in het buitenlands is gegeven: The Wall. Het schijnt het langste gebouw van Nederland te zijn.

Een mevrouw met een zorgelijk voorkomen vertelde hoe ze daar een textielonderneming begonnen was, maar dat het niet goed ging. Ter verklaring van de tegenvaller viel dikwijls het woord 'geïnvesteerd': er was niet genoeg geïnvesteerd. Begrijpen doe ik het niet, maar dat blief ik ook niet. Ik kon wel begrijpen dat ze er niet genoeg gekocht werd om die dame aan haar financiële gevoeg te laten komen. Achter haar zag ik haar enorme zaak: rekken vol dameskleding. Bij de aanblik alleen kon je al begrijpen dat ze dat niet verkopen zou. Alle dames in Nederland hebben van die troep toch al de kasten vol.

Plof-economie, dacht ik. We zijn op het punt van genoeg aangekomen. Die meneer in de tram symboliseerde dat. Op een bepaald moment kan er niets meer bij, anders kom je de deur niet meer door.

De plofmens roert zijn dikke kont in een plofeconomie; de grens aan de groei is in zicht. Komt de plofmaatschappij? Ik houd m'n hart vast.