Gerard den Brabander

Gerard den Brabander

We zagen hem zitten, eind jaren veertig, in Eylders, Gerard den Brabander, in halfduister, een voor ons jongelingen onaanraakbaar menselijk monument, symbool van wat eigenlijk een beetje voorbij was, de tijd van droefgeestige, vormgesoigneerde poëzie, gemaakt door een geëmpancipeerde volksjongen die dan wel bij de posterijen zijn brood verdiende maar een onbetwiste plaats in de vaderlandse letteren had verworven.

Je hebt als dichter je plaats in de literatuurgeschiedenis verdiend wanneer er op zijn minst twee regels van je overblijven. Bij Gerard den Brabander is dat het geval.

Hier zijn die regels:

Ik kleine slaaf van poëzie en taal,
mij was ter borst de eerste melk al schraal.

Het kenmerk van onthoudbare poëzie is een bijna onmerkbare grammaticale ongerechtigheid - ik heb het daar al eens over gehad. En verdomd, ook hier gaat het weer op. Die malle, logisch gesproken overtollige, aanwezigheid van het allereerste woord, 'ik', geeft dit dichterlijk geheel zijn bijzondere karakter. Ook de toevoeging 'en taal' is logisch gesproken niet echt sterk. Alles bij elkaar: het raakt niet uit een geheugen weg!

Hier komt het gedicht in zijn geheel:

Ik kleine slaaf van poëzie en taal,
mij was ter borst de eerste melk al schraal.
Zó droef, zó dun klonk 't moedermonds verhaal,
waar het kanon in doorklonk van Transvaal,
en zó vol tranen was het kleine lied
van bruut verraad en simpels boers verdriet,
dat, wat mij voedde, woord en melk en brood,
dit à doortrokken was van dood en dood.