Marina, dichteres

Marina, dichteres

In dat gedicht op de muur in Leiden richt Marina zich tot haar gedichten met woorden van weemoed en troost: jullie blijven nu nog in het donker van de onbekendheid, maar ooit komen jullie nog wel aan de beurt. En zo is het inderdaad gegaan.

Marina, geboren in 1892, heeft zich in 1941 in haar woonplaats ver ten oosten van Moskou opgehangen, na een woelig leven vol passie, liefde, teleurstellingen en de gebruikelijke uitzichtloze ellende die het Sowjet-regime bezorgde aan mensen die het waagden om onafhankelijk te denken, te voelen en te leven.

Dat heeft ze gedaan, Marina. 'Ik, dichteres.' Zo heeft ze het gezegd, in de tweede regel van het gedicht dat op een muur in Leiden staat. 'Ja, poëet', zo klinkt het in het Russisch. Marina, zoals we haar onze ziel binnen krijgen via haar poëzie en wat we weten van haar leven, is zelf een gedicht geweest, een gedicht in mensenvorm.

Ik ken ook een mannelijke pendant, een man van wie ik zeggen kan: hij is zelf een gedicht. Niet zo woelig als Marina, wegens ingetogen bescheidenheid. Man achter de haag, zoals hij het zelf uitdrukt. Zo kan het ook. Ook voor zijn gedichten geldt: hun tijd komt nog wel.