Monsieur Bovary

Monsieur Bovary

Gaat Flauberts roman Madame Bovary over Madame Bovary? Zeker. Maar, als ik het eerlijk mag zeggen: voor mij is de held van het boek Monsieur Bovary. Met hààr heb ik weinig op. Hèm meen ik te begrijpen, te kennen en ik ben erg op hem gesteld.

De roman begint met een beschrijving van Charles Bovary wanneer hij nog een jongen is. Als nieuwe leerling komt hij een klas binnen. Hij staat voor zijn leraar en zijn klasgenoten. Hij weet zich geen raad met zijn houding. Net als zijn medeleerlingen draagt hij een pet. De anderen gooien de hunne aan het begin van de les op de grond. Charles houdt zijn pet verlegen in zijn hand. Iedereen kan die pet zien - het is een belachelijk ding dat unanieme hilariteit genereert. Flaubert neemt ampel de tijd om het ridicule object met wellustige precisie te beschrijven en de medogenloze reactie van de kameraden. Cet âge est sans pitié, La Fontaine heeft het al in een fabel uitgesproken.

Waarom doet Flaubert dat. We komen het aan het einde van de roman te weten. De koopzieke Emma heeft zelfmoord gepleegd, laat Charles ontroostbaar achter. Dan komt voor hem een treurige psychologische dreun: hij vindt liefdesbrieven van minnaars. De argeloze man komt er achter dat zijn echtgenote Emma heeft hem heeft gecocufieerd.

Het toeval wil dat enige tijd later een van die minnaars, ene Rodolphe, op straat ontmoet. De man stelt Charles voor om samen een biertje te gaan drinken in een café. Charles accepteert het voorstel. In het café begint de ex-minnaar druk te praten.

'In gepeins verzonken staarde Charles naar dit gezicht tegenover hem, dat zij had liefgehad. Het was of hij iets van haar terugzag. Het fascineerde hem. Hij had deze man willen zijn.
De ander sprak maar door, over landbouw, vee, meststoffen, en praatte met nietszeggende woorden over iedere stilte heen waarin een toespeling had kunnen vallen. Charles luisterde niet; Rodolphe merkte het, en van zijn bewogen gezicht las hij af welke loop de herinneringen namen. Langzamerhand werd het vuurrood, zijn neusvleugels gingensnel op en neer, zijn lippen beefden; er kwam zelfs een moment waarop Charles, van duistere woede vervuld, zijn blik strak op Rodolphe richtte, zodat deze ontdaan zijn mond hield. Maar al gauw zag hij er weer net zo verslagen en afgemat uit als voorheen.
"Ik neem het u niet kwalijk," zei hij.
Rodolphe bleef zwijgen. En met zijn hoofd in zijn handen kwam Charles nogmaals, gesmoord, en met een berusting waaruit een eindeloze droefheid sprak:
"Nee, ik neem het u niet meer kwalijk."
Zelfs voegde hij er een groot woord aan toe, het enige dat hij ooit heeft gezegd:
"Het is de schuld van het noodlot!"'

Deze zachtmoedige, sympathieke dorpsdokter heeft nog voor hij volwassen was zonder het te weten het embleem van zijn noodlot al op zijn kop gedragen, een belachelijke pet.

(Het Nederlands van de citaten is van Hans van Pinxteren.)