Meaulnes, nomade tussen sedentairen

Meaulnes, nomade tussen sedentairen

Het fundamentele thema in 'Le grand Meaulnes' van Alain-Fournier is de aanvechting van nomadisme in een sedentaire wereld. Sedentairen zijn mensen die op één plek wonen en werken. Nomaden trekken van de ene plaats naar de andere. De sedentair wil veiligheid, geluk. De nomade wil avontuur, poëzie.

Het lijdt geen twijfel dat sedentarisme en nomadisme twee componenten zijn binnen elke mensenziel. Zelfs in samenlevingen waar elk spoor van nomadisme op het eerste gezicht uitgewist schijnt.

De auto levert een voorbeeld van de twee tegengestelde behoeften in onze hedendaagse, overwegend sedentaire, samenlevingen. De auto is het huisje van de huiselijke, maar tegelijk ook het wilde paard van de vrije nomade. De achter de auto bungelende caravan laat de tegenstelling nog duidelijker zien: lekker bij het aanrecht en toch dwalen door de wereld.

Het sedentaire ideaal is in 'Le grand Meaulnes' het duidelijkst geïncarneerd in Yvonne de Galais. Ook François Seurel is iemand die zijn rol te spelen heeft op één plek, in één regio, waar hij een bouwer van geluk zou willen zijn. Wanneer Yvonne en François elkaar voor het eerst treffen, spreekt Yvonne zich uit; ze vertelt François dat zij wil in het onderwijs zou willen gaan, net als hij.

'Ik zou de jongens leren om braaf ('sage') te zijn. Ik zou ze een wijsheid ('sagesse') willen bijbrengen, een wijsheid die mij vertrouwd is. Ik zou ze afleren om de wereld te willen intrekken.'

'Ik zou ze leren om het geluk te vinden dat vlakbij ligt, en dat je over het hoofd ziet...'

Terwijl François naar haar luistert, is hij enerzijds onder de indruk van haar 'bedachtzame, kinderlijke houding, haar blauwe, oneweeglijke blik,' maar anderzijds wordt hij ook getroffen door 'een soort weemoed en ook vijandschap tegen iets geheimzinnigs in haar leven.'

Waar komt die weemoed en die onbegrijpelijke vijandschap vandaan? Van het verdriet dat haar wordt bezorgd door het nomadisme van twee mensen die haar het meest na zijn. Dat zijn de aanbeden broer, Frantz, en de beminde Meaulnes.

Van die twee is Frantz de pure nomade. Maar Meaulnes is interessanter, omdat hij de dromrn van nomadisme en van sedentarisme zo hevig in zich verenigd weet. Wanneer de avonturendrang van Meaulnes hem in het mysterieuze kasteel heeft gebracht, heeft hij daar een droom. In die droom ziet hij 'een lang groen vertrek, met behang alsof het van bladeren was. Er was daar een lieflijk licht dat wel leek te stromen - het was of je het proeven kon. Bij het venster zat een meisje te naaien met haar rug naar hem toe. Het leek wel of ze wachtte tot hij wakker werd...' En als Meaulnes dan wakker wordt en er kinderen op zijn knie kruipen, heeft hij opnieuw een visioen. 'Hij stelde zich voor dat hij in een huis was dat van hem was, als getrouwd man, en dat het avond was, een mooie avond. Het onbekende, charmante meisje dat hij vlakbij piano hoorde spelen was zijn vrouw...'

Die droom wordt werkelijkheid. Meaulnes zal een korte periode van echtelijk geluk kennen. Met Yvonne. Maar Meaulnes is niet voorbestemd voor blijvend sedentair geluk. Hij gooit het stuk op het ogenblik dat hij het kasteeltje, waar hij woont met Yvonne en hun kind, verlaat, omdat hij 'de roep van Frantz' heeft gehoord.

Meaulnes heeft veel kenmerken van iemand die geworteld is in de streek waar hij woont. Zijn naam is in zekere zin significant; er bestaat in de streek waar het boek zich afspeelt een plaats die Meaulne (zonder s) heet. Anderzijds is het nomadische in zijn persoonlijkheid dominant. François beschrijft hem als een man die niet gauw begint te praten, net als eenzame mensen, jagers, avonturiers.' Meaulnes zelf verklaart dat hij niet is als de anderen, de sedentairen. 'Hoe kan ik een leven leiden als iedereen! Ik heb het geprobeerd, daar in Parijs. Maar als je eenmaal de sprong naar het paradijs hebt gemaakt, hoe zou je daarna genoegen kunnen nemen met het leven van iedereen? Wat voor anderen geluk was, was voor mij iets belachelijks.'

De droom van de nomade is het geluk met Yvonne. Het sedentaire, daarvan droomt hij. Omgekeerd ligt het anders. Dat Yvonne zich tot Meaulnes aangetrokken voelt vervult haar met angst. Als Meaulnes haar zijn toekomstverwachting begint te ontvouwen, zegt ze: 'Waarom? Waar is het goed voor?' (A quoi bon?)

'We zijn kinderen', werpt Yvonne hem tegen. 'We hebben een dwaasheid begaan.'

Zo is het ook. Kinderen denken niet aan veiligheid en geluk. Zij geven zich over aan wat vanuit het standpunt van de volwssenen dwaasheid is De paradox is dat de nomade een kind is en droomt van geluk, terwijl de volwassene een sedentair is die droomt van avontuur (en tegelijkertijd bang is). De droom van de volwssene is om kind te mogen blijven.

Die tegenstelling is een existentiële antinomie. Een tegenstelling die altijd een tegenstelling zal blijven. De tegenovergestelde realiteiten en dromen bestaan gelijktijdig, maar sluiten elkaar logisch gezien uit. De twee componenten zitten in elk mens. Zullen er altijd zijn. Zullen elkaar altijd bevechten.