Joyce Bloem

Joyce Bloem

Joyce Bloem brengt in haar werk een eigen, persoonlijke mythologie tot uitdrukking. Als schrijfster in haar gedichten en verhalen. Als beeldend kunstenaar in videofilms, in installaties en in sculpturale keramiek. Dat laatste betekent in haar geval dat ze beelden maakt die voor de beschouwer een belangwekkende interpretatieve uitdaging inhouden.

Mythologieën, bij alle volkeren ter wereld maken ze een essentieel deel uit van hun cultuur. Ze zijn opgebouwd uit verhalen en voorstellingen die betrekking hebben op goden, geesten, nationale helden, voorouders. Al dat concrete, al dat herkenbare in die mythologieën dient om iets abstracts tot uitdrukking te brengen, namelijk de gevoelens die in een gemeenschap bestaan over de relatie van elk mens met wat hem teboven gaat, met zijn lot, met zijn visie op de wereld en op het leven.

Tot begin maart 2002 exposeert Joyce Bloem keramische sculpturen in Galerie De Boog in IJsselstein. Er staan van Joyce Bloem, onder andere, beelden die zijn gemodelleerd naar de fabuleuze Russische danser Nijinski. Over hem was van oktober 2000 tot februari 2001 in het Musée d'Orsay te Parijs een expositie te zien. Die expositie en de figuur van Nijinski hebben Joyce Bloem geïnspireerd vanuit twee geheel verschillende overwegingen. Ten eerste realiseerde Joyce Bloem zich tijdens haar bezoek dat zij precies negen maanden na de dood van Nijinksi is geboren, hetgeen een zielsverhuizings­hypothese mogelijk maakt. Ten tweede incarneert Nijinski bij uitstek een mythische constante in 'het landschap van haar ziel', zoals zijzelf het heeft uitgedrukt.

In dat landschap, in de wereld van haar persoonlijke mythologie, nemen twee gestalten een belangrijke plaats in: de Danser en de Wachter. Het zijn twee gestalten die tegelijk tegengesteld en complementair zijn, want de danser beweegt en de wachter is onbeweeglijk, maar in onbeweeglijkheid schuilt de potentie van beweging terwijl de beweging kan worden beschouwd als een aaneenschakeling van momenten van rust. Deze spanning, die verwijst naar een fundamentele dynamiek, is een basis­thematiek in het werk van Joyce Bloem. De figuur van Nijinski biedt aan haar creativiteit een mogelijkheid tot expressie, een element binnen haar mythologisch universum.

Schilderij:'Nijinski'
Nijinski

De spanning tussen beweeglijkheid en onbeweeglijkheid, die specifiek is voor Joyce Bloem, vormt vanzelfsprekend ook een intrinsieke problematiek voor elke maker van sculpturen. In het geval van keramische sculpturen komt daar een andere spanning bij. Het is de spanning tussen binnen en buiten. Wie een keramische sculptuur bekijkt, ziet een buitenkant die een binnenruimte omhult. Die onttrekt zich in principe aan het zicht. Maar heeft ook een 'huid', een binnenwand. Dit in tegenstelling, bijvoorbeeld, tot de sculpturen die uit een compacte materiële massa zijn gemaakt. Het bijzondere in de keramische beelden van Joyce Bloem is dat de buitenkant de binnenkant doet bevroeden. De buitenkanten geven als het ware te kennen dat het in feite om die binnenkanten gaat. Dat wil zeggen: om het wezenlijke, om de ziel die zich op mysterieuze wijze verraadt in de vorm, omdat het onzichtbare nu eenmaal niet zonder vorm kan, indien het zich wil manifesteren. Het komt zelfs voor dat ze de wand om de binnenruimte openbreekt, zodat ook de binnenwand zichtbaar wordt.

Is het werk van Joyce Bloem figuratief te noemen? Nee. Wie dat zou doen zou haar beelden reduceren tot simpele fantastische voorstellingen. Het gaat juist om de verborgen abstracties, de betekenissen binnen de persoonlijke mythologie. In haar werk is die spanning tussen figuratief en abstract, tussen vorm en betekenis, een van de fascinerende kenmerken. Juist daarin schuilt de voor dit werk kenmerkende uitnodiging tot betekenisgeving. Die vloeit voort uit de missie die Joyce zichzelf heeft gesteld, namelijk om een zoektocht te volvoeren die èn artistiek is èn existentieel. Het is, geloof ik, de zoektocht naar haar persoonlijke mythologie, naar de betekenisdragers daarin, die de coherentie aangeven binnen het 'landschap van haar ziel'.

Verschillende concrete artistieke motieven zijn als landmarks langs de weg waarlangs die zoektocht verloopt, ongeveer als de stoepa's langs een Himalaya­route. De motieven van Wachter en Danser heb ik al genoemd. Een nieuw motief is dat van de Chain­gang, vrouwen die kettingen dragen. Als symbool van knechting, van gehechtheid, van verbondenheid? Als sieraad? Of als symbool? Juist die open vragen zijn intrigerend.

We komen te staan voor het keramische beeld van een naakte vrouwenfiguur. Om haar hals zien we de ketting. Op vreemde wijze heeft zij haar handen voor haar buik. Vraag: heft zij haar handen in afweer? Of moeten we een andere verklaring zoeken? Er is ook een geheimzinnige vrouwelijke engel die vreemde, groene handen onder aan haar buik drukt. We voelen wel dat een betekenis zich aandient. Maar welke? Hoe moeten we die betekenis, die subliminaal blijft, omschrijven? En hoe moeten we het gevoel benoemen dat we krijgen bij de beschouwing van die engel, vreemder dan alle andere? Zulke sculpturen wekken de beschouwer op om niet puur verstandelijk te analyseren maar om zich over te geven aan bespiegeling, de opkomende emotie en de magische uitstraling.

Kunstenaars creëren hun eigen symboliek. Maar, wanneer zij op zoektocht gaan, zullen ze ook op de tekens letten die de wereld aanreikt. Joyce Bloem zag op de begraafplaats van Montmartre in Parijs iemand iets neerleggen op het graf van Vaslav Nijinski. Vaak voelt ze zich als een detective, en ook op dat moment was dat zo. Ze moest eenvoudigweg weten wat dat was. Het bleek een witte envelop te zijn. Een brief, bestemd voor de onvergetelijke danser, aan het eind van zijn leven waanzinnig geworden, die nu in de dood rust had gevonden. De gebeurtenis inspireerde Joyce Bloem om een zetel voor hem te ontwerpen, genaamd Vaslavs Heaven.

Misschien zijn de symbolen uit een eigen, vertrouwde culturele traditie nog belangrijker. Die liggen opgeslagen in de verhalen van ouders, grootouders. Bij Joyce Bloem komt er veel uit Indonesië, uiteraard, via haar afkomst, ouders, grootmoeder. Ook een grootvader, die een joodse Pruis was, zal langs genetische weg het zijne bijdragen. Een goudmijn voor het onderbewuste, een semiotische vindplaats van uitzonderlijke rijkdom.

© Aart van Zoest, januari 2002