Kijken naar Jeroen Bosch

Kijken naar Jeroen Bosch

Als je goed naar kunst wilt kijken, moet je oefenen.
Ik was op een Jeroen-Bosch-tentoonstelling. Veel te veel te zien. Je moet dan veel laten vallen. Aandachtig kijken naar weinig is beter dan oppervlakkig kijken naar veel. Dat doe je vanzelf wel in het voorbij lopen. Omdat er op een drukbezochte tentoonstelling ook nog veel te veel mensen zijn, maken dikwijls al die hoofden tussen jou en een schilderij het onmogelijk om dàt schilderij te bekijken. Niet erg, dat schilderij bekijk je later wel aandachtig in de catalogus; in het museum kun je dan gaan kijken naar het schilderij dat het Lot met zijn toverstaf Toeval aanwijst: kijk dààr staan toevallig even geen mensen voor.

Snel langs de drukbezochten gaan, het heeft ook een voordeel. Het profijt is dat je in het voorbijgaan oude bekenden onder de schilderijen ziet. Eventjes. In fragmenten. Schemerend achter de hoofden van je geestverwanten van dat ogenblik, de medebezoekers van de expositie. Aan hun achterhoofden zelfs kun je hun bewondering aflezen, de bewondering die ze met jou delen. Die geestverwantschap weerhoudt je ervan om je te ergeren aan hun aanwezigheid. Je kunt het ze moeilijk kwalijk nemen dat ze zich daar staan te verdringen. Verheug je dat ze samendrommen voor de bekende werken. Daardoor kun je je koesteren aan een bescheiden superiorieitsgevoel; jij laat je niet leiden door de waan van het canonieke, jij laat je drijven op een andere stroom: eigen inzicht binnen de grenzen die de omstandigheden hebben getrokken.

Er valt veel te ontdekken en te bespiegelen op die grote tentoonstelling in Rotterdam. Een ontdekking: de insignes uit de tijd van Bosch. Die hebben zijn voorstelling van de wereld ongetwijfeld beïnvloed. Ook het aanwezige werk van zijn tijdgenoten is machtig interessant. Aanzienlijk interessanter dan het knutselwerk van de modernen van wie wordt gesteld dat ze door Bosch geïnspireerd zijn.

De marskramer
Het gezicht van de marskramer

Wie aan Bosch denkt, denkt vooral aan de fantastische elementen in zijn werk, de angstaanjagende duivels, de waanzinnige visioenen. Die moet hij gezien hebben wanneer hij zijn ogen dicht had, in boze dromen. Maar op de cover van de catalogus staat de marskramer afgebeeld, die ook wel als landloper wordt aangemerkt. Hij heeft niets fantastisch. Die heeft Jeroen met open ogen gezien. Een tijdgenoot van Bosch, een medemens van ons. Een man voor wie je, naar mijn smaak, niet anders dan sympathie kan voelen. Een kleine zelfstandige, waarschijnlijk, die langs de wegen trekt op zoek naar kopers van zijn waar. Teneinde het hoofd boven water te houden. Een hoofd waarop we van alles kunnen aflezen.

Zijn heldere ogen laten zien dat hij slim is, bijdehand en oplettend, maar toch ook een beetje dromerig en melancholiek. Dat kan te maken hebben met zijn armoede, met de schoen en de slof waarop hij moet lopen, zijn gewonde been, de scheur in zijn sjofele broek. Of met de armetierige herberg met hoertjes waaraan hij voorbijgaat (is hij er zojuist geweest? Of heeft hij het geld niet en is hij, treurig en licht afgunstig, wel gedwongen om voorbij te gaan?). De kleur van zijn haar en de stoppels van zijn baard zijn indicaties voor het leven dat hij geleefd heeft, zonder luxe, met ondeugd wellicht, ongetwijfeld met zorgen en met de noodzakelijke waakzaamheid. Het opvallende mes aan zijn gordel wijst erop dat hij zich onderweg misschien moet verdedigen tegen bandieten.

Zijn glimlach vind ik mysterieuzer dan die van de Mona Lisa. Je ziet dat hij een aantal goede moppen weet te vertellen. Dat hij zich de kaas niet van het brood laat eten. Zijn licht naar voren komende onderlip drukt dat uit. Vastberaden is hij. En tegelijk dromerig, weemoedig. De blik in zijn ogen verraadt dat. Het visioen zit hier als het ware àchter de gelaatsuitdrukking, het visioen van een menswaardig leven, boven de armoedegrens uit. Die dappere, weerbare marskramer brengt mij twee regels uit Brechts Dreigroschenoper in herinnering: Erst muss es möglich sein auch armen Leuten Vom grossen Brotlaib sich ihr Teil zu schneiden. Wie zou niet met deze marskramer bevriend willen zijn?

Ook werkelijkheid dus, bij Bosch, naast het fantastische. En vaak een mengeling van beide. Bijbelse taferelen lenen zich daartoe goed. Wanneer Bosch een Kruisdraging (te zien in het Museum voor Schone Kunsten te Gent) schildert, krijgen we in iedere geval één wezen te zien voor wie we sympathie en compassie voelen: Christus die zijn kruis draagt, ongeschoren, met gesloten ogen, sereen. Nu eens niet doodsbleek en ascetisch, niet geëxalteerd en heiliger dan allen, zelfs niet lijdend, maar iemand die geconcentreerd is, in zichzelf gekeerd. Een man die weet wat zijn lot is en die zijn levenstaak tot een einde gaat brengen, een bitter maar aanvaard einde. Een volkomen uitzonderlijk wezen.

Op dit schilderij is hij de enige die mooi is, temidden van een massa afzichtelijke lelijkerds. Rondom, dat zijn de alledaagsen. De zoon van God is een mens. En die anderen zijn, in meerderheid, monsters. Hun gelaatsuidrukkingen verraden een veelheid aan slechte eigenschappen: ze spreken hitsig en kwaadaardig. Ze doen gewichtig en gelijkhebberig. Sommigen zijn dronken van Schadenfreude. Vlak naast het hoofd van Jezus zien we een monster van domheid en lelijkheid die door middel van piercings en haarband op belachelijke wijze probeert mooi te lijken. Een begeleidende militair heeft onder zijn plompe drankneus een martiale snor laten groeien, die echter zijn hangwangen niet verbergen kan. Wat ik moet denken van de heilige Veronica met haar zweetdoek, ik weet het niet. Ze is vroom, ze is blij met het wonder op haar doek, dat is zeker. Maar na dat wonder heeft ze meer belanstelling voor haar doek dan voor de voortgaande kruisdrager. En wat te denken van de uitdrukking op het gezicht van de bleke vrouw naast haar? Ze lijkt me niet erg te deugen.

Zo zijn er veel raadsels, alleen al op dat ene schilderij waarnaar je een uurlang kan blijven kijken. En zo moeten we ook omgaan met kunst: lang en aandachtig kijken, naar één schilderij, volgens het oude principe niet het vele is goed, maar het goede is veel.

Kijken en mijmeren. Je afvragen, en tasten naar antwoorden. Wat wil Bosch zeggen? Hoe doet hij het?

Die lelijke gewichtigdoener die rechtsboven van het midden duidelijk in het licht staat maakt zich behoorlijk belachelijk door zijn rare oorbelletje. Net als de onheilspellende monnik rechtsboven richt hij zich zonder enig mededogen tegen de doodsbleke, doodsbange gevangene die samen met Christus gekruisigd gaat worden. Rechtsonder zien we de andere dief die op weg is naar zijn kruisiging. Hij heeft te maken met mannen die zichtbaar genieten van zijn ongelukkig lot. Hij dient ze van repliek, vol haat. Een onnozele grapjas heeft voor de gelegenheid een dwaze, kleurige fantasiemuts opgezet.

Is het ook een teken dat zowel de vrome Veronica als de ridicule geestelijke terzijde van de niet opvallend belichte Jezus opvallen doordat ze, duidelijk in het licht, zich afwenden? Het hoofd van Jezus is de trois quarts weergegeven. Bijna alle anderen zien we en profil; ze zijn plat, tweedimensionaal (voorouders van Marcuse’s ééndimensionale mens?).

Een kunstwerk brengt ons van het bijzondere naar het algemene, van het detail naar de diepere thematiek. Op het schilderij van Bosch (Jheronimus, maar we noemen hem graag Jeroen) dat Kruisdraging is genoemd zien we het gebeuren: terwijl er iets groots gebeurt, dat alle mensen aangaat, wenden velen onder hen zich af, vastgeklonken aan de beperktheden van hun menselijke conditie. Domheid, onbewustheid, vooroordeel, rigiditeit, fanatisme, kwaadaardigheid, het schijnt allemaal bij die menselijke conditie te horen. Lelijk is het. Daar steekt de eenvoudige schoonheid van de kruisdrager op dit schilderij, en ook die van de marskramer op het andere schilderij, hoopgevend bij af. Zij inspireren tot mededogen. Ze zijn allebei op eigen wijze een mogelijk model. Je moet het wel zien natuurlijk. In Boijmans Van Beuningen. Of buiten het museum. Waar dan ook.

© Aart van Zoest, oktober 2001