Eugène Carrière

Eugène Carrière

'Le vrai pathétique nous enveloppe de tous les côtés, nous marchons dessus, mais il n'y a que les grands artistes comme Carrière qui le discernent.'

Rodin heeft dat gezegd, sprekend over zijn vriend, de schilder Eugène Carrière (1849-1906).

Wat betekent 'le vrai pathétique'? Dat wat ècht pathetisch is. Maar wat is 'pathetisch'? Onder de invloed van het Engelse 'pathetic' zou je kunnen denken dat het 'belachelijk' betekent of 'zielig'. Maar dat is het niet. Het Franse 'pathétique' verwijst naar iets dat tegen het tragische aanligt, maar toch niets met noodlot te maken heeft. Iets dat ons aangrijpt, iets heel ontroerends. Iets wezenlijks, iets verhevens.

Pathos, pathetiek, we vinden het in de opera. Lach dan Paljasso, als je hart is gebroken. In Nederland mag je niet pathetisch zijn, dan beginnen we te lachen. Bij de Italianen mag het, zeker in het theater, zeker wanneer er over liefdesleed gezongen wordt.

Waar Rodin het over heeft is de èchte pathetiek die te vinden in in het leven van mensen die niet hun armen ten hemel heffen, die hun mond wijd opensperren, maar over het verhevene dat te vinden is in het alledaagse, waar we overheen kijken. Rembrandt, Vermeer, Israels, Van Gogh.

En die vriend van Rodin dus, Eugène Carrière, van wie we nog nooit gehoord hebben wellicht, maar die een groot kunstenaar was, bescheiden, dus onbekend gebleven. Hij kan worden ontdekt dezer dagen in een aan hem gewijde tentoonstelling in het Musée d'Orsay in Parijs.

Zie zijn schilderij 'Intimité'. Zichtbaar gemaakt gevoel, tederheid. Daar kan geen vibrato, geen smartelijk snikken, tegenop.

'Dat wat ons werkelijk aangrijpt is aan alle kanten om ons heen te vinden, we lopen er bovenop, maar alleen de heel grote kunstenaars, zoals Carrière, hebben het in de gaten.'