Drie tenen

Drie tenen

Drie tenen hebben ze, de drieteenstrandlopers. Ik begrijp dat wel. Ze hebben daar genoeg aan om hard heen en weer te rennen. De golf rolt terug, van het strand af. Ze rennen met hem mee, achter hem aan. Dan rolt de golf terug van de zee naar het strand. Ze rennen voor 'm uit; ze spelen geinig of ze bang voor 'm zijn. Quod non, geloof ik.

Die druktemakerij heeft ongetwijfeld met voedselvergaring te maken. Dat ze het in groepjes doen, zal ook zijn verklaring hebben. Groepsgevoel hoort bij veiligheidsevoel, zeg ik met mijn mensenverstand. Dat verstand heb ik niet nodig om het koddige schouwspel van de piepkleine hollende vogeltjes eindeloos vertederend te vinden.

Wanneer ik ze zo samen zie rennen, moet ik altijd de neiging onderdrukken om ze toe te spreken. Om te vertellen dat het much ado about nothing is, die golf komt wel weer terug. Eigenlijk loer ik er op dat er eentje komt die het zijn soortgenoten duidelijk zal maken, ofwel in strandlopertaal of gewoon door het voorbeeld te geven.

Het gebeurt nooit en ik verwacht ook niet dat het gebeuren zal. Het staat in het Grote Draaiboek dat ze op hun twee poten met daaraan ieder drie tenen zeer bedrijvig heen en weer blijven rennen, aanzienlijk driftiger heen en weer dan de veerboot waar Drs.P van gezongen heeft. Tot het einde der tijden.

Wij hebben tien tenen. Wat gemakkelijk is omdat wij tellen in het tientallig stelsel. Met onze tenen hebben we een handig telraam. We kunnen de handen ook gebruikten bij het tellen. Toen we het begonnen te leren hebben we die vingers nogal eens gebruikt om te weten hoeveel twee plus vier is.

Volkeren die bij tellen tenen èn vingers gebruiken, kunnen tot rare getallen geraken: soixante-dix-neuf voor 79 en quatre-vingts voor 80. Zou het strandlopervolk het zestallig stelsel praktiseren? Stel je voor. Dan zou een verliefde driestrandloper tot zijn aangebedene kunnen zeggen: 'Leuk hè, jij hebt 10 tenen en ik ook. Samen hebben we er 20.'