Dons

Dons

We kwamen te spreken over het nieuwe dekbed en dat het in het Frans 'édredon' heet. De vraag doemde op waar dat woord vandaan kwam. Als parmantige allesweter kwam ik aan met een etymologie: dat had te maken met de aanlevering van het dons door de eidereend.

Met de eigen zachte borstveertjes maakt de eidereend een nest waarin de kleintjes, zó uit het ei, zich behaaglijk kunnen voelen. Wij mensen profiteren mee door het verzamelen van die donsveertjes.

Geïnspireerd door Joris Verrips, apostel van het Handicap Principe van Zahavi en Zahavi, kwam ik tot denkwerk. Zou het een handicap zijn, om zachte veertjes op de borst te hebben in een harde wereld? Mag ik teleologisch concluderen: die hebben ze, de eidereenden, ten bate van de kleintjes? En ook nog ten bate van ons, verwende mensenkinderen? Is daarom wellicht, als tegenwicht, de eidereend nogal flink uit de kluiten gewassen, groter dan zijn verre neef, de ons beter bekende wilde eend? Heeft hij daarom die spitsige snavel en trekt hij een snuit alsof hij denkt dat hij met een snedige grap de ander tijdens de talk show eens flink heeft afgetroefd? Heeft de eidereend een witte rug, opdat iemand ooit denken kon: nèt een dekbed?

Vragen, vragen. Waarop ik het antwoord niet weet. Al wat ik weet is dit dat de eidereend een mooie latijnse naam toebedeeld heeft gekregen: somateria mollissima. Met een vorm van de absolute vergelijkende wijs, de comparativum absolutum, waar ze in het Italiaans zo'n fraai gebruik van maken. Bellissima, gentilissima, carissima.

Mijn geliefde kan zich onder het nieuwe dekbed geheel verborgen houden. Alleen lichte welving verraadt haar aanwezigheid. Het komt voor dat ik er peinzend bij sta. Een woord welt in mij op. 'Mollissima.'