Competence

Competence

Vermogen/ vaardigheid/ competentie.

Drie betekenissen

Een kleine halve eeuw geleden heeft de Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky in zijn onderzoek een centrale plaats gegeven aan het begrip competence. Dat was in zijn tijd revolutionair. Voordien had men vooral historisch en vergelijkend onderzoek gedaan naar talen. Chomsky stelde dat de zaak ook geheel anders kon worden aangepakt. Hij ging uit van het idee dat in ieder mens, waar ook ter wereld, een competence schuilt om taaluitingen te produceren. Die menselijke competence staat aan de basis van de performance die taalgebruikers laten horen of zien. Terwijl Chomsky’s voorgangers bij hun beschouwingen altijd uitgingen van het resultaat van die performances, wilde Chomsky bekijken hoe de weg eruit ziet die van competence tot performance leidt.

Bij Chomsky’s voorgangers ging het vanaf de negentiende eeuw vooral om de oorsprong van talen, hun afkomst en ontwikkeling, de verwantschappen en verschillen. Over veranderingen in vorm in betekenis. Aan het begin van de twintigste eeuw kwam daar de algemene taalkunde bij. De Zwitser Ferdinand de Saussure wijdde, tegen 1917, in Genève tijdens zijn colleges bespiegelingen aan essentiële kenmerken van taal. Zo kwam hij tot een theorie die voor alle talen geldig moest zijn. Hij wees de weg naar een algemene taaltheorie en een algemene taalwetenschap, waardoor hij in zekere zin als een voorloper van Chomsky kan worden beschouwd.

Bij Chomsky en zijn wetenschappelijke volgelingen ging het in de eerste plaats om beschrijvingen van een ontstaansproces. Hoe wordt een taaluiting gegenereerd? Dat was het uitgangspunt van hun vraagstelling. Vanwege dat ‘generatieve’ uitgangspunt, werd, om dit soort taalkunde te benoemen, het adjectief generative gebruikt. De beoefenaren van generatieve taalkunde waren er op uit om van talen generative grammars op te stellen. Die bestonden uit modellen om het taalproces te beschrijven. Wat die theoretische modellen deden was dit: ze gaven aan hoe het verloop er uit zou kunnen zien van de gang die een taaluiting maakt van een dieptestructuur (op het niveau van de competence) naar de oppervlaktestructuur (op het niveau van de performance).

Chomsky biechtte op dat hij in zijn denken op een bepaald punt verwantschap voelde met Descartes, de 17e-eeuwse Franse vader van het rationalisme, bekend van zijn uitspraak Cogito ergo sum (ik denk dus ik ben). Descartes veronderstelde dat ieder mens met bepaalde ‘ingeboren ideeën’ ter wereld komt. Dat Chomsky zich beriep op Descartes was opzienbarend in een tijd waarin de aandacht van wetenschappers, op welk gebied ook, zij het sociologie, antropologie of psychologie, veel meer uitging naar conditionerende omstandigheden dan naar veronderstelde constanten die in een mens te vinden zouden zijn. In Chomsky’s tijd waren structuralisme en neo-positivisme dominant. Veel structuralisten vonden dat een begrip als ‘de mens in het algemeen’ overboord moest worden gegooid. De neo-positivisten hielden zich met zo’n vraag zelfs helemaal niet bezig. Die interesseerden zich meer voor de status van uitspraken, voor kennistheorie, waarbij ze een grondige afkeer aan de dag legden voor filosofische speculaties. Tot zulke speculaties rekenden ze de ideeën van, bijvoorbeeld, existentiefilosofen of neo-marxisten.

Het idee van ‘ingeboren ideeën’ (idées innées) streek denkers uit de tweede helft van de twintigste eeuw vooral tegen de haren door het dogmatische karakter dat op de loer lag. Iets onveranderlijks? Iets dat voor eens en altijd vastlag? Daar hielden de denkers van die dagen helemaal niet van. Misschien dat het allemaal wat werd genuanceerd door de ontdekkingen van de DNA-onderzoekers: er zitten bij de mens toch echt wel programma’s ingebouwd, die je dan wel niet als idées innées kan beschouwen, maar die toch wel wijzen op ingeboren competences.

Een bekende uitspraak van de heer Olivier B.Bommel is: ‘Ik wist niet dat ik het in me had!’ Dat wijst er op dat in een mens meerdere competences schuilen, die niet allemaal taal-competences zijn. We hebben allemaal de competence om afstanden te schatten, rekensommen uit te voeren, medelijden te voelen en op te wekken, om verliefd te worden, om maar een snelle en willekeurige greep te doen. De belangrijkste menselijke competence is ongetwijfeld het vermogen om te communiceren en daarbij gebruik te maken van ons vermogen om verschijnselen als tekens te beschouwen, die kunnen worden geïnterpreteerd en die tot bruikbare conclusies leiden. Omdat hij over deze competence beschikt verdient de mens het om niet alleen als homo sapiens te worden aangeduid, maar ook als homo semioticus, de tekengevende mens.

Het Engelse woord competence wordt door Nederlanders gemakkelijk in verband gebracht met ons Nederlandse woord competentie. Dat is volkomen gerechtvaardigd. Iemand die op doeltreffende wijze aan de auto een reparatie kan verrichten, wanneer die dienst weigert, kun je een monteur noemen die over de vereiste competentie beschikt. Op alle niveaus in het maatschappelijk leven is behoefte aan competentie, of het om loodgieten gaat of om management. Waar zich een probleem voordoet, waar in een behoefte moet worden voorzien, waar iets gebouwd of ontworpen wordt, daar haalt men er graag een competent iemand bij.

In engere zin krijgt het woord competence de Nederlandse vertaling vaardigheid. Dat gebeurt speciaal wanneer het gaat om een leerproces. Iemand die iets leren wil zal zoeken naar een ander die hem kennis kan bijbrengen. Dat is het allereerste. Leren is voor alles profiteren van kennisoverdracht. Voldoende is dat niet. De leerjongen die van een ervaren timmerman het timmeren wil leren, zal eerst kennis moeten verwerven over gereedschap en de manieren warop dat moet worden gehanteerd. Daarna moet hij oefenen en zich een vaardigheid eigen maken. Wie Frans wil leren zal woordkennis in zijn hoofd stampen, maar gaat dan op vakantie naar Frankrijk om die woorden in de praktijk te gebruiken. Hij zal proberen zinnen te maken die grammaticaal correct zijn. Hij zal proberen zijn uitspraak zoveel mogelijk op die van de Fransen te laten lijken. Hij zal misschien zelfs wel bijbehorende Franse gebaren maken of een Frans mondje trekken. De taal goed leren is een kwestie van studeren en van veel oefenen. Een kwestie van kennis en vaardigheid.

In het hedendaagse beroepsonderwijs in Nederland en ook daarbuiten is een duidelijke tendens om het accent te verschuiven van pure kennisoverdracht naar bijbehorende vaardigheidstraining. Op scholen voor beroepsonderwijs worden meer en meer toekomstige beroepssituaties gesimuleerd. Door de invoering van ICT in het onderwijs verschuift men ook al het accent van kennisoverdracht naar training in de vaardigheid van kennisvinding.

In deze gevallen gaat het om competence in de engere zin van het woord, namelijk om de vaardigheid om iets goed te doen door oefening en ervaring. De competence waarover Chomsky en heer Bommel het hadden is de competence in ruimere zin. Dat is het dikwijls sluimerende, soms zelfs helemaal ongeweten, talent. Dat is het vermogen dat in je zit en dat erom vraagt om tot ontwikkeling te worden gebracht. ontdekking van een latent creatief, genererend, vermogen, en daarnaast oefening in het verwerven van vaardigheden.

Aan de Amerikaanse acteur Dennis Hopper vroeg een interviewer: ‘Wat wil jij doen in je leven.’ Hopper antwoordde: ‘Ik wil doen waar ik zin in heb.’ Vraag: ‘Wat voor vorm ga je daar aan geven?’ Antwoord: ‘Leren.’ ‘Leren, waarom?’ ‘Ik wil allerlei dingen leren, om te weten wat ik kan willen. Hoe kan ik weten dat ik wil gitaarspelen, als ik niet eerst heb leren gitaarspelen?’

Wat Hopper in wezen zei was dit: hij wilde, al lerend, een ontdekkingstocht maken naar de competences die er in hem schuilen. De competences uiteraard die het beste passen bij zijn levensbehoeften en professionele plannen. Zo opgevat is leren een ontdekkingstocht die overgaat in een training. Het is een reis die gaat van de ontdekking van een verborgen schat, een vermogen waarover het individu beschikt, naar het verkrijgen van kennis en vaardigheden, waarmee men in de maatschappij aan de slag kan. De reiziger die dat traject heeft afgelegd heeft het recht te beweren: ik ben competent.

De derde betekenis van competence is de toekenning van vermogen en vaardigheid die door een instantie wordt gegeven, waarbij we denken moeten aan en diploma. Een diploma is een maatschappelijk geaccepteerde erkenning van competentie.

Een bedrijf werkte met een zeer ingewikkelde machine. Op een dag stokte die machine. Niemand kon hem meer aan de gang krijgen. Ten einde raad riep men de heer Haverklap erbij. Hij kwam, draaide aan een paar wieltjes, stak zijn vinger in enkele gaten, pakte een hamer en gaf een flinke klap. Onmiddellijk begon de machine te trillen en na een druk op de knop zette hij zich in beweging als voorheen. Iedereen zeer verheugd.

De heer Haverklap kwam daarna met zijn declaratie.
‘Duizend gulden.’
‘Ja zeg. Voor één klap met een hamer?’
‘Ik zal het even specificeren.’

Voor het geven van een hamerklap: ƒ 0,01
Voor competentie (weten wààr): ƒ 999,99
Totaal: ƒ 1000,00