Chairil Anwar

Chairil Anwar

Ik begeef me onder hen

Ik begeef me onder hen, het moet.
Langs de kant van de weg ga ik, neem hun vormen aan.
Kijk met hun ogen.
Hang rond op plekken van vermaak:
Dàt kregen ze voor elkaar.
(Er draait een Amerikaanse film,
nieuwe deunen, nieuwe ritmen om te dansen.)
Er is niets bij dat ons raakt,
terwijl toch Dood veelvormig naast ons woont.
We drommen samen bij de halte, wachten op de tram uit de stad.
Hij beweegt door de nacht als de tand des tijds.
Lammen zijn we, kreupel, nietsbelovend.
We drukken magere botten tegen straatlantaarns,
Terwijl toch roerige jaren ons aanroepen.
Het regent. We wachten op de tram.
Ach, dode harten, er is een gebed in de nacht
voor wie in liefde mijn handschrift lezen wil.
Moge alle syfilis, alle lepra
(de atoombom komt later)
een teken zijn: we zijn samen, soeverein.
Ontvang mijn wereld, eentje die getuigen kan
Van het duister van de nacht. In hen. Ook in mij.

Dit is de Nederlandse vertaling van een Indonesisch gedicht. De auteur is Chairil Anwar, geboren op 26 juli 1922 in Medan, Noord-Sumatra, in een niet onbemiddelde Minangkabause familie, die genoeg geld had om hem naar een Hollands Indische School te sturen en later ook naar de Mulo. Dat was voor Indonesische kinderen van arme ouders niet weggelegd.

Zijn eerste gedicht verscheen in oktober 1942, een paar maanden na het begin van de Japanse bezetting van Nederlands Oost-Indië, dat toen eigenlijk al ophield te bestaan. Hij schreef in het totaal 72 gedichten. Hij stierf op 28 april 1949 in een ziekenhuis in Jakarta. Hij is dan 26 jaar oud.

Chairil is de eerste grote dichter van het jonge Indonesië en voorloper van de moderne Indonesische poëzie. Bedacht moet worden dat de Indonesische taal een van de jongste talen ter wereld is, opgebouwd op basis van een in de archipel gangbare lingua franca, het zogenaamde pasar-maleis, dat mensen om te kunnen communiceren op de markt gebruikten naast hun eigenlijke moedertaal, bijvoorbeeld het Javaans of het Soendanees. Dat het nu voor Indonesiërs niet langer een tweede taal is, niet langer een hulptaal, maar hun nationale taal, waarmee 250 miljoen mensen met elkaar kunnen communiceren is een sociolinguïstische succes-story die zijn weerga nauwelijks kent.

Schrijvers dragen ertoe bij om de taal van een volk te smeden tot het het instrument van expressie en communicatie dat het voor een culturele coherentie nodig heeft. Vondel deed het te onzent. Poesjkin in Rusland. Chairil Anwar leverde zijn bijdrage in zijn pasgeboren vaderland.

Hij was een wilde jongen, die de onderkant van de maatschappij in Jakarta leerde kennen. Hij sliep onder bruggen, frequenteerde hoeren. En ook Indonesische schrijvers, intellectuelen, nationalisten, aan wier zijde hij zich schaarde. Hij las gedichten van Alexander Blok, Byron, Gide, Marsman, Slauerhoff, Elsschot. Soetan Sjahrir, de meest bewonderenswaardige van alle nationalisten, ooit door de Nederlanders verbannen, later Indonesië’s eerste premier, was een vriend van hem.

Chairils gedichten hebben veelal een expressionistisch karakter. Heftige persoonlijke gevoelens komen er in tot uitdrukking. Het bijzondere is dat de lyriek zich mengt met verwijzingen naar de onmiddellijk omringende werkelijkheid, die tegelijk een metaforische portée krijgt. Een voorbeeld daarvan is de evocatie, in het bovengeciteerde gedicht, van de Jakartaanse trams (inmiddels door de auto uit het stadsbeeld verdrongen). De trams in het oude Jakarta waren wit. Die referentialiteit maakt Chairils beeld zo prachtig. Hij koppelt iets abstract, de voortschrijdende tijd, aan het concrete, visueel waarneembare, via de kleur van de ivoren wachters die de Jakartaan in voor- en tegenspoed bereid is, al lachend, aan anderen te tonen. Zó verraadt zich de grote dichter.

Het gedicht verwijst ook naar maatschappelijke veranderingen en bijbehorende problemen. Een Amerikaanse film, westerse dansmuziek, zijn dat nu de verworvenheden van het triomferend Indonesisch nationalisme? Een nieuw soort vermaak, dàt hebben ze voor elkaar gekregen. Maar het andere, waarvan de mensen ongetwijfeld gedroomd moeten hebben alvorens in een soort versufte onverschilligheid te geraken…? Het jaar 1949 is het jaar van de militaire actie tegen de jonge Republiek, het jaar van de soevereiniteitsoverdracht. Wat betekenen ze, die ingrijpende gebeurtenissen, die ‘roerige jaren die ons aanroepen’, voor de kleine man bij de tramhalte, met z’n ziekten en zorgen?

Er spreekt uit het gehele gedicht solidariteitsgevoel met de vernederden en vertrapten in de urbaine samenleving. Hij heeft zich onder hen begeven, schrijft Chairil, omdat ‘het moet’. Het is de missie die hij zich voor zijn dichterschap heeft gekozen, anders bijvoorbeeld dan Baudelaire die liever ‘loin d’eux’ was, ver weg van hen.
Een solidariteit die zijn herkenningsteken vindt in syfilis, in lepra, in het duister in de ziel.

Onder dit alles schuilt wanhoop. Het gciteerde gedicht, dat in het Indonesisch als titel draagt Aku berkisar antara mereka, dateert van 1949, korte tijd voor Chairils dood. Daarna zal hij er nog maar drie maken. In zijn allerlaatste gedicht vinden we de regel hidup hanja menunda kekalahan, ‘leven, dat is alleen maar wachten op de nederlaag’. Die nederaag was voor Chairil, die in een eerder gedicht had geschreven ‘Ik wil nog duizend jaar leven’ zijn al te vroege ontmoeting met zijn overwinnaar, de Dood.

En toch kan men, ook in het geval van Chairil Anwar, de vraag stellen: Dood waar is je overwinning? De Indonesische poëzie is springlevend. Na Chairil is de dichtkunst een tijdlang gedomineerd geweest door de indrukwekkende figuur van Rendra, die we, omringd door jongeren, in Den Haag tijdens de Winternachten hebben zien optreden. En juist die jongeren laten zien hoezeer de pelopor, de voorloper, Chairil Anwar, de aanzet heeft gegeven tot een nationale poëtische bloei.