Carmiggelts hoofdpersonen

Carmiggelts hoofdpersonen

Tegenover de onaanzienlijke bankbediende, meneer Geurs, stelt Carmiggelt een vrouw, mevrouw Smit. Het mooie is dat we als lezers het verhaal binnenkomen via meneer Geurs en pas later, even later, mevrouw Smit in het vizier krijgen. Zo doet Flaubert het ook in 'Madame Bovary'.

Net als bij Flaubert krijgt de vrouw de dominante rol. De man bevindt zich schuchter in de schaduw.

Over mevrouw Smit lezen we om te beginnen het volgende:

'Toen haar man, een joyeuze handelsreiziger met zwoele pakken aan, jaren geleden op een kwade dag met de noorderzon vertrok, zette zij een advertentie voor een nette commensaal en ving de heer Geurs. Hij is een gave des hemels voor een hospita, want hij leest en zwijgt, gaat vroeg naar bed en eet alles op wat men hem voorzet.'

De derde hoofdpersoon in het verhaal is steeds aanwezig, qualitate qua: de kastelein. Een dienstbare getuige, die de eenvoudige, volgens traditie gekozen, consumpties aandraagt en zich verder in zwijgen hult.

De heer Geurts is een lezer en dat heeft hem tot autodidact gemaakt. Alcoholgebruik neemt, zo men weet, remmen weg en dus durft hij met zijn kennis voor de dag te komen.

'Na het vierde glas komt de heer Geurs wat los en begint met zachte stem te spreken.
'Griekenland', zegt hij dan, 'dat is het oudste van het oudste. Er heerste een hoge beschaving. Lui die in goede doen verkeerden woonden in prachtige paleizen. Maar die zijn allemaal kapot gegaan, door de oorlogen en de revoluties die hebben gewoed.'
'De mensen zijn net kinderen', zegt mevrouw Smit spijtig. 'Ze maken alles stuk.'
'Allerlei goden werden aanbeden,' herneemt de heer Geurts, aangemoedigd, 'en aan wijsgeren was er geen gebrek. Socrates - die kon praten als de beste, niemand kreeg hem van de sokken. En Plato, dat is ook een zéér groot wijsgeer geweest.'

Aan dat 'zéér' kun je merken dat meneer Geurts een lezer is, want hij gebruikt hier een lees-woord dat in de spreektaal van de Amsterdamse kroeg, wegens te deftig, eigenlijk geen plaats heeft. Zijn persoonlijke ideologie bevat een opvatting over goed-kunnen-spreken: niemand kan je van de sokken krijgen.

'Gelukkig glimlachend ledigt hij zijn glas.'

Van de weeromstuit drukt de verteller zich ook een tikje deftig uit, met dat 'ledigt'. Natuurlijk is meneer Geurts op dat moment gelukkig. Hij is toegetreden tot een andere wereld. Hij staat even op de voorgrond van het toneel in het licht van de schijnwerper. Hij heeft, zo zou Georges Bataille het hebben uitgedrukt, 'le monde du travail' verlaten is aangeland in 'le monde de la souveraineté'.

Dat hij daar zijn inhibities aflegt, wordt door Carmiggelt heel fijntjes uitgedrukt door het woord 'herneemt' dat volgt na de nietige interruptie van mevrouw Smit. Meneer Geurts laat zich voor een keertje niet van zijn stuk brengen; hij oreert ongestoord verder.

Dat vermag de alcohol tot stand te brengen.