Michael Donhauser en het zachte ruisen

Michael Donhauser en het zachte ruisen

Elke dag lees ik een Duitstalig gedicht, want Bernd Müller stuurt er elke dag een, per mail, vanuit Berlijn. Ik schrijf de tekst vrijwel steeds met de hand over. Dat is altijd een mooi moment van de dag. Het is, dagelijks, alsof ik even het ruisen hoor van een poëtische beek.

Vandaag kwam een gedicht binnen dat als titel heeft 'Lass rauschen Lied, lass rauschen'. Het is van Michael Donhauser, een hedendaagse Oostenrijkse dichter, op school geweest in Liechtenstein, studeerde in Wenen, waar hij nu woont, en ook in Graubünden (Zwitserland). Dat doet aan buitenlucht denken en aan groen in de natuur.

Kan daar iets poëtisch vandaan komen? Reken maar. Ik ga dat gedicht hieronder zonder vertaling en zonder veel commentaar weergeven. Het heeft een geheimzinnige sfeer van weemoed, die me aanspreekt. Er is verwijzing naar eenvoudige natuur-dingen: koren, klaver, bos, beek, bloem. Elementaire elementen in een wereld waar meer mensen in de stad leven dan op het land. Waar de natuur, tot ons verdriet, in het defensief is gedrongen, wat niet vrolijk stemt.

Lass rauschen Lied. Het ruist zelf ook, dat lied, met enjambementen aan het einde van elk vers. Dat geeft zachtkens aan dat, tegen alle weemoed in, de natuur de troost van zijn voortdurende beweging brengt. De beekjes blijven ruisen, ze vergissen zich niet. All die Bächlein rauschen, da keines sich verirrt, een troostrijk aforisme.

Het allereerste woord van het gedicht, 'und', geeft het aan: dit gedicht, net als de natuur, sluit aan bij iets dat voorafging en zet dat voorafgaande voort. Godzijdank.

Bernd Müller, die nog steeds niet nalaat om zijn dagelijkse zending van poëzie voort te zetten, is ook een ruisende beek. Hier is zijn gedicht van vandaag, koninginnedag 2009:

Lass rauschen Lied, lass rauschen

Und hörte leise rauschen, wie
rauscht es durch das Korn, ich
hörte wehen, sagen es
ist und ist verlorn

Lass sinken, lass und rauschen, ich
acht nicht, wie es geht, würd
Wort und Sinn vertauschen, wo
Veilschen wuchs und Klee

Im Klee hab ich gegeben
hingegeben, was vergeht
was ich hörte rauschen, dem
Herz, ihm tut es weh

Es war als ein Erzittern, ich
hörte es im Wald, und
war dann ein Verzager, und
klagte, ging so bald

Lass rauschen, lass das Klagen, es
weiss nicht, wie mir wird, da
all die Bächlein rauschen, da
keines sich verirrt