Ariël

Ariël

'Hallo', zei ik.
Ik kon hem niet zo maar voorbij lopen. Hij stond er zo parmantig bij, een kleine engel van vier jaar met blond vlashaar.

'Hallo', zei hij terug. En ik was al gelukkig. Hij had zijn onbevangenheid nog niet ingeruild voor het wantrouwen van de latere jaren. Hij had nog meer voor me in petto.

'Ik heb vier edelstenen.'

Het was kwart over acht in de ochtend. De laatste bladeren hingen mooi te wezen aan de takken van de iepen langs de gracht. Geen zuchtje wind. De wereld hield de adem in om te luisteren hoe het verder zou gaan.

'Ze zijn blauw, geel, groen en rood.'
Ik begreep dat hij eigenlijk, zonder het te weten, twee versregels van Verlaine parafraseerde:
Le ciel n'est pas plus pur
Que le fond de nos pensées.

'Ze waren van een edelman.'
Hij zei het zo dat ik 'edel man' hoorde in twee woorden.Ik zag in dat hij bewoner was van een wereld waarin je die nog had, edele mannen.

'Voor die gele kun je een paard kopen, voor die blauwe een kasteel, voor die groene een leeuw en voor die rode een auto.'

Zijn moeder was nu ook naar buiten gekomen, met een klein zusje dat ook naar school zou worden gebracht. Moeder nuanceerde: 'Auto's had je toen nog niet.'Om hem naar de mond te praten suggereerde ik: 'Nou ja, wat je toen had... een karos?'

Als doorgewinterd taoïst paste hij het wuweiprincipe toe: niet op reageren. Engelen met een boodschap laten zich niet door futiliteiten van hun stuk brengen.

'Ik ben nu rijker dan de koning en de koningin.'

Geen zweem van triomf of patserig verkneukelen. Een koele constatering. Hij wilde mij nog wel verder deelgenoot maken van het wonderbaarlijke dat hem overkomen was. 'Het is een schat. Van vroeger. Hier heb ik hem gevonden.'

Hij strekte zijn arm en wees in het smalle steegje naast zijn huis. Ik kom er dagelijks langs. Het is door een hek van de boze buitenwereld afgesloten. Ik denk dat alleen enkele bewoners een sleutel hebben en daar hun fiets neerzetten. Ik dacht: ze hebben dat hek een tijdje open gelaten om deze kleine engel zijn schat te laten vinden. Ik bleek me niet te vergissen.

'Ik moest de pijlen volgen. Er was ook een papiertje bij. Je kon tweehonderd punten halen.'

Hij moest nu naar school, ook al wilde hij nog wel uren doorvertellen. Zijn moeder gaf aan dat het tijd werd. Tijdens onze conversatie had ze zich bescheiden op de achtergrond gehouden. Wel had ze de hele tijd gestraald, zoals moeders stralen kunnen.

Het gelukkig groepje verwijderde zich onder het goud van de laatste bladeren. De moeder woof en ook het kleine zusje woof. Ariël was me al vergeten. Tot mijn verbazing raakten zijn voeten onder het voortstappen gewoon de aarde.