De dichter sluimert

De dichter sluimert

Het kind in ons bewaren. Het is een existentiële opgave. Niet zozeer iets willen worden als wel iets dat gegeven is niet laten verkommeren. Moeilijk is het eigenlijk niet om het kind in ons levend te houden. Maar er zijn krachten van buitenaf die ons dwingen om het kind in ons te verstoppen.

Die krachten maken ons tot serieuze volwassenen. Ze brengen ons er toe om de rol te spelen die de echte volwassenen van ons verwachten. Dat brengt een vreselijk risico met zich mee: we gaan ons met die rol vereenzelvigen. We gaan onszelf au sérieux nemen. De verleiding om het te doen is groot, want als je maatschappelijk mee wilt tellen, als je niet een 'loser' wilt zijn, dan moet je laten zien dat je jezelf serieus neemt. De ellende is dat zulke mensen fundamenteel eng zijn. Ik herinner me woorden van de wijze, zachtmoedige taalkundige Robert de Dardel, reïncarnatie van Ferdinand de Saussure; het akeligste dat hij over een medemens zeggen kon was 'Hij neemt zichzelf au sérieux'. Zoiemand heeft namelijk het kind in zichzelf om zeep geholpen.

Erger nog dan dat is het om de dichter in jezelf smoren. De aartsvader van de Franse literaire critici, Sainte-Beuve (1804-1869) heeft gezegd: 'In de meeste mensen zit een dichter die al vroeg is doodgegaan.' Dat klinkt niet best. De romantische dichter Musset (1810-1857) heeft zich optimistischer uitgedrukt: 'In de meesten van ons sluimert een dichter, die altijd jong en levend blijft.'

Is het niet een prachtig idee. Je hoeft alleen maar die sluimeraar wakker te maken. Ik heb die gedachte opgepikt uit de brief die de 22-jarige Vincent van Gogh vanuit Parijs schreef aan zijn 18-jarige broer Theo. Het waren nog jonge snuiters toen, die broers Van Gogh, maar geen onbenullige knapen, dat is wel duidelijk.

De afbeelding: Alfred de Musset.