Luba - een juweel

Luba - een juweel

Jan Wychers stuurde mij, alweer, een juweel van een boekje, ditmaal van eigen hand.
De titel luidt 'Luba'. Een verwijzing naar een Afrikaanse cultuur, behorend bij een volk dat overwegend in Congo/Zaïre, te vinden is. Ondertitel: een autobiografie.

Een autobiografie? Ja. De auteur verplaatst zich in een beeldje en geeft haar het woord. Ze begint haar autobiografie aldus.

'Ik ben van hout, uit het goede hout gesneden. Een beeld uit Afrika. Mijn naam is Luba. Dat is mijn familienaam. Die zegt genoeg.'

Zo is het. Die naam zegt genoeg. Hij kan doen denken aan het Russische woord voor liefde. Maar hij verwijst resumerend naar een Afrikaans volk en naar een bijbehorende cultuur, inclusief een verfijnde kunst, die ons niet alleen vermag te intrigeren maar die ons ook in bewondering en vervoering brengt.

'Ik kom uit Zaire, of Congo, zoals dat deel van Afrika voeger heette.
Het Luba rijk werd gesticht in de zestiende eeuw. Een mytisch verleden!
Onze koningen waren zieners. Ze hadden bovennatuurlijke gaven.
Onder de koningen stonden de bestuurders van delen van het rijk.
De chefs. Wij waren omringd door andere stammen.
Dat waren de Chokwe, Pende, Lulua en Songye, om er een paar te noemen.
Die stammen hadden hun eigen beelden en objecten.
Deze bevestigden hun heersers in hun status en macht. Onze makers, de snijders van beelden en objecten van de macht, waren belangrijke mannen.'

Wychers laat het beeldje Luba over zichzelf vertellen, over haar geschiedenis, over de culturele context waarin zij haar plaats heeft. Dat is natuurlijk een hoogst originele vertelwijze. Alleen al door die keuze, dat hij Luba zelf het woord geeft, toont Wychers zijn respect, zijn bewondering, ja zijn liefde, voor Luba, zijn beeldje. En indirect dus voor de cultuur waarin zij ooit haar plaats had en waarnaar zij altijd zal blijven verwijzen.

Luba besluit haar autobiografie met een bespiegeling:

'Onlangs begon er een nieuwe eeuw.
Voor de mensen een gebeurtenis.
Voor mij betekent het niets.
Mijn tijd is oneindig.
Ik ben onsterfelijk.'

Deze 'autobiografie' biedt een dubbele verwijzing. Ten eerste naar een minder bekende kunst, een cultuurvorm die het in hoge mate waard is om onder onze aandacht te worden gebracht. En ten tweede, au fond, naar het begrip en de intieme toewijding van kunstverzamelaars, namens wie Jan Wychers spreekt in zijn poème en prose, zijn bijna amoureuze lofzang op Luba.

Het is een verrukking om zo'n genereuze liefdesverklaring te lezen.