Vroeger/nu

Vroeger/nu

Het moet half in de jaren dertig van de negentiende eeuw zijn begonnen. Een familie uit Halfweg raakte aan de praat met een familie uit Spaarndam, in de uitspanning De Zoete Inval.

De volwassenen hadden geen kind aan hun kroost. Voor het jonge volkje waren er immers schommels, wippen en andere vermakelijkheden. De familie Wolvenhart uit Spaarndam was op de fiets uit Spaarndam gekomen, luttele kilometers verderop. Daan (vier) voorop bij vader. Geertje (zes) achterop bij moeder. De Grietema’s uit Halfweg hadden voor de geringe verplaatsing gebruik gemaakt van de bakfiets van vaders timmerbedrijf. Pa op het zadel en moeder met de zesjarige tweeling, Thea en Pimmetje, in de bak.

In De Zoete Inval hadden de kinderen Wolvenhart en Grietema elkaar gevonden toen ze samen een op de grond een touw hadden ontdekt. Pimmetje en Thea trokken aan het ene eind; Geertje en de kleine Daan aan het andere. ‘Pap, help!’ riep Geertje onder het vooruitstruikelen. Dat wilde vader Gerard wel. Ook de andere ouders hadden meegedaan. Zo ontstond er een vrolijke touwtrek-wedstrijd tussen Halfweg en Spaarndam, op een genoeglijk moment in De Zoete Inval, de uitspanning waar fietsers in die dagen neerstreken voor een tussentijdse rustpauze tijdens hun tocht van Amsterdam naar Zandvoort aan Zee. Of terug.

Ze hebben wat afgelachen, die dag, bij het touwtrekken, de Wolvenharten en de Grietemaatjes, vooral uiteraard bij het uitglijden en omvallen. Toen ze allemaal achter hun kogelflesjes zaten bij te komen en het stof van de kinderkleren werd afgeklopt, ontstond het dolle idee om eens een echte touwtrekwedstrijd te organiseren. Tussen een ploeg uit Halfweg en een ploeg uit Spaarndam bijvoorbeeld. Er waren vast wel liefhebbers te vinden.

Aldus gebeurde. Het touwtrekken, een mensenpleziertje, werd een groepsgebeuren.

Eerst alleen Halfweg en Spaarndam, twee keer per jaar. Voorjaar, najaar. Eerst hier, dan daar. Naar het voorbeeld van voetbalwedstrijden tussen Nederland en België, om en om in de Hel van Deurne en in het Feijenoord Stadion, met radioverslag van Han Hollander.

Er kwamen reglementen, want het moest toch een beetje eerlijk. Er kwamen scheidsrechters, coaches. Andere gemeenten gingen meedoen in een competitie. Een tijdjelang was er zelfs enige scheiding naar confessie van de deelnemers, katholieken trokken tegen katholieken, protestanten tegen protestanten, maar dat duurde maar kort; het hoefde niet meer na een speciaal mandement en andere grootmoedigheid van de zijde van clerus en ouderlingen.

Wat de zaak gróót maakte, was de publieke belangstelling. Touwtrekken bood een kostelijk spektakel. Er konden toegansprijzen worden gevraagd, die gaandeweg hoger werden, want er moesten tribunes worden gebouwd. Daar konden consumpties worden verkocht. Men zag speciale sportkleding ontstaan: handschoenen voor de vaste greep aan het touw, laarzen met spikes, grondige uitsteeksels aan de zolen. Er ontstonden besturen, op lokaal, nationaal, ja internationaal niveau.

Later leverden televisierechten misschien nog wel meer op dan de toegangskaartjes. Toen werd het touwtrekken pas echt business. Met mooie carrièremogelijkheden voor volkskinderen. (En voor slecht volk rondom.) Een mevrouw uit Thailand, die drie honderd kilo woog, kreeg onlangs van de touwtrekclub Pullthemdown uit Los Angeles een contract tot het Einde der Tijden aangeboden voor een kwart miljard dollar per jaar.

Als straks ook Daan Wolvenhart als laatste van de oergroep het tijdelijke voor het eeuwige heeft verwisseld, zal niemand meer uit eigen getuigenis kunnen vertellen hoe het ooit was.