Lust wil eeuwigheid

Lust wil eeuwigheid

Alle Lust will Ewigkeit.

Nietzsche heeft het zo gezegd. In een gedicht dat te vinden is in zijn ‘Also sprach Zarathustra’. Gustav Mahler laat die tekst zingen in zijn Derde Symfonie.

Die is uitgevoerd in een concertserie van Mahler-symfonieën die de AVRO in vijf opeenvolgende avonden op de tv heeft uitgezonden. Bravo AVRO. Natuurlijk was er een presentator om de uitvoeringen in te leiden. Hij nam de moeite om te laten weten dat herhaald proberen hem niet had geholpen om het gedicht van Nietzsche te begrijpen.

Hier is het gedicht:

O Mensch! Gib acht!
Was spricht die tiefe Mitternacht?
“Ich schlief, ich schlief -
Aus tiefen Traum bin ich erwacht –
Die Welt ist tief,
Und tiefer als der Tag gedacht.
Tief ist ihr Weh –
Lust – tiefer noch als Herzeleid.
Weh spricht: Vergeh!
Doch alle Lust will Ewigkeit,
will tiefe tiefe Ewigkeit!”

Tja, eenvoudig is het niet. Begrijpen? Het kan, geloof ik, als je maar bereid bent om met Nietzsche mee te gaan op op zijn zoektocht naar expressie van een inzicht dat hem eigen is.

We moeten goed opletten. Hij geeft een stem aan de nacht. Dat is de stem van het donker dat ons in de droom waarheden voorhoudt, die dieper liggen dan de waarheden die we onszelf in het heldere licht van overdag voorhouden. Op dat diepere niveau ligt hartepijn, die ons wordt bezorgd door deze onontkoombare waarheid: je zult vergaan.

De diepe hartepijn komt voort uit wat nog dieper ligt, namelijk het verlangen van lust naar eeuwigheid.

Een andere dichter, Barney Agerbeek, heeft dat verlangen recht voor de raap verwoord in zijn gedicht 'De straatslijper', dat te vinden is op www.piperade.eu.

Zeker weten dat er aan zijn lust
nooit een eind zal komen

Iets waar geen einde aan is. Moeten we het begrip 'eeuwigheid' in die zin interpreteren? Het lijkt voor de hand te liggen. Maar laten we denken aan Sjatow, de sympathieke, tragische hoofdpersoon in Dostojewski's voorlaatste grote roman, 'De bezetenen', ook wel vertaald als 'Demonen' of 'Duivels'.

Sjatow wordt op een gegeven moment gepest met de vraag of hij wel zeker weet of hem eeuwigheid te wachten staat na zijn dood. Hoe sterk is zijn geloof? Is hij al zo ver? Of is dat geloof een haasje dat nog rondloopt en dat nog geschoten moet worden? Sjatow komt met een grandioos antwoord. Hij zegt: 'Ik geloof in de eeuwigheid nu.'

Er is een eeuwigheid in belevingen tijdens ons mensenleven, op momenten die kunst en liefde ons bezorgen kunnen. Momenten dat de tijd ophoudt ons te belemmeren om iets te ervaren dat zich stelt tegenover het besef van vergankelijkheid. Een proefje van eeuwigheid. Nu.